We hydrate, we train, we dehydrate, we masturbate, we hydrate, we train

De mariniers in de film “Jarhead' zijn voortdurend in de weer, maar er gebeurt niets. Een film over de moderne oorlog zou eigenlijk twee uur lang op bed liggende soldaten moeten tonen. In de fotografie en het schetsboek verstrijkt de tijd overtuigender.

Britse soldaten op Cyprus foto Craig Ames, uit expositie “Left Right Left' Ames, Craig

Het is niet moeilijk te voorspellen wat de Nederlandse soldaten zullen zeggen als ze straks toch naar Uruzgan moeten en hun bij het afscheid de onvermijdelijke journaalmicrofoon voor de mond wordt gehouden. “We gaan doen waarvoor we zijn opgeleid.“ Want dat zeggen moderne Nederlandse militairen allemaal en altijd als ze worden uitgezonden.

Een veilig antwoord. Suggereert “alles onder controle' in een onvoorspelbare situatie en het suggereert moed onder alle omstandigheden. Het is het militaire equivalent van fluiten in het donker: de soldaat is ervan overtuigd dat hij is opgeleid voor alles wat eventueel kan gebeuren en dat hij dus niet zal omkomen. Raar eigenlijk, dat er nog zoveel goedgeoefende soldaten sneuvelen.

In de beroepenbeeldbank van kennisnet.nl staat onder “beroepsmilitair' een filmpje waarin is te zien hoe de landmacht de troepen opleidt. Je moet het misschien kleinkunst noemen, omdat het alleen op postzegelformaat te bekijken valt, maar kunst is het zeker: de cameraman heeft met schuine kaders bewust de dynamiek van het soldatenbestaan willen suggereren. Het is er een en al beweging en snelheid. Een jonge man in uniform stormt op een touwladder af en de commentaarstem zegt: ,,In alle samenlevingen is veiligheid een van de belangrijkste aspecten om een gelukkig leven te leiden.'' Dat is waar, zeker, maar waar gebruiken ze die touwladder dan voor?

De commentaarstem zegt: ,,Op de stormbaan wordt geprobeerd de realiteit zoveel mogelijk na te bootsen. Zo kruip je onder prikkeldraad door, klim je over muren heen en balanceer je op smalle planken of palen.'' Even later heet het dat de rekruut ook zal oefenen op een klimmuur om de realiteit na te bootsen.

Vooral dat prikkeldraad intrigeert; de oorlog van nu is vrijwel prikkeldraadloos, op controleposten na. Nu nog oefenen op prikkeldraad moet wel voortkomen uit een angstbeeld van de vorige eeuw dat in het geheugen is achtergebleven. Zou de angst genetisch overerfbaar zijn, van voorouders die prikkeldraadvelden tussen de loopgraven hebben gezien, of prikkeldraadhagen rond de concentratiekampen?

Of is het een angst die film stelselmatig in de collectieve geest heeft aangewakkerd? In alle grote oorlogsfilms is wel een moment dat de helden of de slachtoffers in het prikkeldraad verzeild raken. Steve McQueen op een gestolen motorfiets tussen de linies in The Great Escape, de twee handen zonder lichaam die aan het prikkeldraad hangen in All Quiet on the Western Front, de spookachtige draden in Kubricks Paths of Glory.

In Jarhead, de nieuwste film van Sam Mendes, komt ook nog prikkeldraad voor, maar dan net zoals in het kunstwerkje van de Landmacht: bij een oefening voor de mariniers. De drill-sergeant laat zijn rekruten onder prikkeldraad door tijgeren terwijl een soldaat met een machinegeweer scherpe munitie vlak over hun hoofden afvuurt. Daar valt de eerste dode al in het marinebataljon. Een van de rekruten wordt bang, steekt zijn hoofd omhoog en bang! - voltreffer. Dat belooft veel, de adrenaline jaagt door de rekruten en door het publiek. Daar gaan we! Een oorlog is pas echt oorlog met doden erbij, dat wist het jochie uit het begin van Bertolucci's Novecento ook. Op de dag dat de fascisten zich hebben overgegeven, rent hij achter een partizaan aan en smeekt: “Geef mij een geweer, alsjeblieft! Ik wil ook iemand doden.“

Ziedaar het grondthema van Jarhead: de mariniers zijn opgeleid om te doden en dat is wat ze willen doen, dat is de enige handeling die hun missie zin geeft. Er staan, zegt de luitenant-kolonel, honderdduizenden, misschien wel miljoenen Iraakse soldaten klaar om hun kogels te ontvangen. Let's kick some Iraqi ass! Het loopt heel anders. Deze oorlog - het is 1991, de eerste Golfoorlog - is niet gemaakt op mariniers. Dit is de eerste grote oorlog van het computertijdperk, die wordt gevoerd met afstandbediening en letterlijk over de hoofden van de machteloze spierbundels heen. Hoeveel dagen ze ook door het maanlandschap van de woestijn lopen op zoek naar de legers van Saddam, ze komen niemand tegen om te doden. En als de scherpschutters eindelijk, eindelijk een Iraakse officier in het vizier krijgen, de climax van de film, mogen ze niet op hem schieten omdat de luchtmacht het hele kamp gaat platgooien, met officier en al.

Het blijft bij die ene dode van de hindernisbaan. Oefenen is gevaarlijker dan de oorlog zelf. In de eerste Golfoorlog, de oorlog van Jarhead, stierven 147 Amerikaanse soldaten in gevechtssituaties en 325 in niet-gevechtsituaties, meestal verkeersongelukken. Een superieure westerse militair anno 2006 kan nauwelijks nog sneuvelen in een oorlog, hooguit, als-ie pech heeft, tíjdens de oorlog. In een reportage die woensdag in deze krant stond, kwam een jongen van zestien aan het woord die graag in het leger wilde. Of hij niet bang was dat hij bijvoorbeeld naar Uruzgan zou worden uitgezonden? Waar moest hij bang voor zijn, vroeg de jongen. “Zo groot is de kans toch niet dat je een ongeluk krijgt?“

In Fahrenheit 9/11 van Michael Moore wordt een brief van soldaat Michael Pedersen voorgelezen: “Hoe is het met iedereen? Met mij gaat het goed. We zitten hier maar te wachten in het zand en de storm.“ Tegen de tijd dat de brief thuis aankomt, is Michael Pedersen dood. Niet door het zand of de storm en ook niet door een ongeluk. Pedersen sneuvelde, in de tweede Golfoorlog.

De tweede Golfoorlog is voor Westerse militairen veel gevaarlijker gebleken dan de eerste. Om dezelfde reden dat de missie in zuid-Afghanistan dat zal zijn: er wordt misschien geen regelrechte strijd geleverd, maar er wordt wel geschoten en gebombardeerd. Deze week doodden Nederlandse soldaten een man in Afghanistan. Als je de berichten leest, krijg je niet de indruk dat hij een militair was, eerder een drugshandelaar die niet tegen de lamp wilde lopen. Dat kun je geen gevechtssituaties meer noemen, dat is eerder politiewerk in een getto. Spannend en levensgevaarlijk. Misschien dat die oefening op de touwladder hier van pas komt.

Toch, voor hij stierf heeft ook Pedersen zich, blijkens zijn brief, stierlijk verveeld in Irak en machteloos vanuit de zandvlakte toegekeken hoe de bommenwerpers over zijn hoofd scheerden om echt Iraqi ass te kicken. De militaire routine op de grond is wachten en dat frustreert. Een kunstenaar die het soldatenleven tot onderwerp neemt zal die twee abstracties moeten zien uit te drukken.

Beeldend kunstenaar Steve Mumford was in de laatste Irak-oorlog een embedded artist, hij trok met Amerikaanse soldaten op en maakte tekeningen en aquarellen van het dagelijks leven. Het leverde een wonderlijk boek op, Baghdad Journal, met beelden die eruit zien alsof ze een pauze tussen twee beslissende momenten in vastleggen, zo leeg zien ze eruit. Er wordt veel gezeten. Er wordt veel gekeken. Er wordt veel op bed gelegen. Terwijl Mumford in zijn begeleidende tekst de patrouilles beschrijft die hij heeft meegelopen en de frustraties die daarbij worden afgereageerd op de Iraakse burgerbevolking, zijn de aquarellen bijna sereen - een kenmerk dat als vanzelf voortvloeit uit deze techniek, anders dan bij het medium film.

Vergelijk dat eens met de foto's van Craig Ames, die onder de titel LeftRightLeft worden getoond in galerie Hug in Amsterdam. Ook hier is wachten de voornaamste bezigheid van de geportretteerde militairen, Britten in dit geval, gelegerd in Cyprus. Ze spelen op een Playstation, kijken naar een pornofilm (waarbij een van de soldaten aandachtig de hoes van de videoband bestudeert, alsof hij wil weten wie de regisseur is) en hangen, vooral dat laatste. Het soldatenleven is: tussen de verhuisdozen, de kisten met materieel op je bed zitten of liggen en wachten tot iemand je zegt dat je naar buiten mag om te doen waarvoor je bent opgeleid. Deze foto's ogen niet sereen, ze staan bol van de opgekropte frustraties.

De foto's van Ames krijgen een extra lading van frustratie als je weet wanneer hij ze begon te maken: op 12 september 2001, een dag na de aanslagen in Amerika, toen de hele wereld de adem inhield in afwachting van de reactie. De hele serie van Ames bevindt zich in die zin tussen twee beslissende momenten. Er is één moment vastgelegd en wij, toeschouwers, denken er de werkelijkheid omheen. Wíj bezorgen die jongens hun frustratie, omdat wij denken te weten dat ze die voelen. Wíj geven ze hun machteloze gevoel, omdat wij weten dat het 12 september is en zij er niks aan kunnen doen, hoeveel wapens ze ook om zich heen hebben.

Voor film is dat lastiger, een film toont niet één beslissend moment, maar een heleboel momenten. Film is geen beeld-medium, maar een tijd-medium. Een film over de moderne oorlog zou eigenlijk twee uur lang op bed liggende soldaten moeten tonen, dan snap je pas hoe saai het soldatenleven is. En dan een kwartier doodsangst, waarin de “ongelukken' gebeuren.

Regisseur Sam Mendes heeft het er moeilijk mee. In Jarhead kan hij de verveling alleen uitdrukken in een voice-over die de dagelijkse routine opsomt: “We hydrate, we train, we dehydrate, we clean our weapons, we masturbate, we hydrate, we train.' Zinloos, machteloos, maar in beeld zie je die mannen van hem toch voortdurend in de weer. Kunnen ze geen held zijn op het slagveld, dan zijn ze de held in hun kampement, of desnoods alleen in hun eigen hoofd.

Zinloosheid van oorlog is al zo vaak uitgedrukt in film, en daar is het medium ook bij uitstek geschikt voor. Dat kan door terloops twee werkelijkheden naast of vlak na elkaar te tonen waarvan de een de ander als het ware ontmaskert en in al zijn zinledigheid te kijk zet. Maar machteloosheid? Wachten?

Wij begrijpen wel dat die scherpschutters machteloos zijn tegenover de superioriteit van hun luchtmachtcollega's, maar dan gaat de film over reactie op die machteloosheid. Een film, en zeker een Amerikaanse film, kan geen twee uur lang terneergeslagen mannen laten zien.

De beroemdste Nederlandse oorlogsfilm is niet Soldaat van Oranje, niet De Aanslag, niet Het meisje met het rode haar, maar een filmpje met overste Karremans in Srebrenica in de hoofdrol. Het is gefilmd door een Servische soldaat en gebruikt in een Britse documentaire, A Cry from the Grave en is zo wereldberoemd geworden. Het is de ultieme film over machteloosheid, over neerhangende schouders en gebogen hoofden. De plaatsvervangende schaamte die deze film oproept is een veel krachtiger emotie dan de deernis met alle uitgeschreeuwde frustraties van Jarhead. Overste Karremans laat zich in het fragment een cadeautje in handen drukken door de Servische slager, generaal Mladic. Als hij behalve “dankuwel' ook nog wat wil stamelen over de moslims die aan zijn zorgen waren toevertrouwd, blaft Mladic hem af. De Nederlandse commandant krimpt ineen en zegt: “I am just the pianoplayer. Don't shoot the pianoplayer'.

Je begrijpt onmiddellijk dat de Nederlandse militair in de eerste plaats is opgeleid om over smalle planken te lopen.

Video beroepsofficier: beroepenbeeldbank.kennisnet.nl/content_video_kl.jsp?id=1174 Steve Mumford, “Baghdad Journal; an Artist in Occupied Iraq', uitg. Drawn & Quarterly, Montréal, 191 blz., www.drawnandquarterly.com Craig Ames, LeftRightLeft; t/m 11 februari in Hug Galerie, Eerste Tuindwarsstraat 16, Amsterdam, inl.: (020) 4894042 of www.hughug.info