Vervuld van goede intenties

Malevitsj was geen schilder uit één stuk. En dat kan het Stedelijk in Amsterdam aantonen dankzij een omstreden aankoop. De erfgenamen willen 'alleen maar geld zien,' zegt Rudi Fuchs in een net verschenen boek over deze collectie.

Kazimir Malevitsj (1879-1935) kleedde de schilderkunst uit tot op het bot en schilderde daarna gewoon weer verder. Zijn Zwart suprematistisch vierkant zag hij zelf als 'de kiem van al het mogelijke' en 'het fundament van alle andere vormen'. Maar toen hij het doek in 1915 voor het eerst tentoonstelde, nam half kunstminnend Sint-Petersburg er aanstoot aan. Critici repten van een weerzinwekkende verwoesting. In hun ogen was Malevitsj' schilderij de surrogaat-icoon van een beweging die 'door middel van grootheidswaan en hoogmoed, door het verstoren van alles wat innig en teder is, iedereen naar de verdommenis zal helpen'.

Negentig jaar later weten we dat het allemaal best meeviel. Het zwarte vierkant was geen eindhalte in de kunstgeschiedenis en geen nieuw begin: het was gewoon iets wat óók kon. Het zat eraan te komen, aan het begin van de 20ste eeuw, de eeuw van het minimalisme, de 'colour fields' en de materieschilderkunst. Iemand moest het doen.

Die iemand werd Malevitsj, en als je naar zijn hele oeuvre kijkt is dat niet zo verwonderlijk. In zijn betrekkelijk korte leven verkende hij veel van de mogelijkheden die de schilderkunst bood. Hij begon te werken in een Cézanne-achtig impressionisme, gevolgd door een lomp, naïef soort expressionisme; vervolgens hing hij een poosje tussen kubisme en futurisme in en daarna schilderde hij geometrische kleurvlakken tegen een witte achtergrond - het zwarte vierkant, onder meer.

Tegen het einde van zijn leven, na een zwart kruis, een zwarte cirkel, een wit vierkant en een wit kruis, ging hij weer tot het schilderen van medemensen over. Misschien omdat hij die zelf niet hoefde te bedenken, omdat die vol verrassingen zaten - en vol geometrische vormen natuurlijk, voor wie ze zien wil. Misschien ook omdat er in Rusland inmiddels een regering was die de abstracte kunst te moeilijk vond voor het gewone volk. Het nieuwe, communistische regime verlangde begrijpelijke schilderijen met noeste arbeiders erop. Malevitsj schilderde aanvankelijk boeren en boerinnen met Léger-achtige, konische lijven en leden op een vereenvoudigd platteland. In zijn laatste jaren maakte hij tamelijk klassieke portretten, die hij signeerde met een klein zwart vierkantje.

Lien Heyting, kunstredacteur van NRC Handelsblad, schreef een boek over Malevitsj en over de al jaren slepende kwestie rond de grote Malevitsj-verzameling van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Die wordt door de erfgenamen van de schilder opgeëist omdat zij vinden dat het museum de werken in 1958 onrechtmatig verkreeg. Maar voordat Heyting de geschiedenis van de Stedelijk-collectie uit de doeken doet, geeft ze een beknopte levensschets van Malevitsj: een man met zeer verschillende kanten, zoals te verwachten viel. Voordat de Sovjet-regering de socialistisch-realistische Staatskunst verordonneerde, had Malevitsj als academiedocent een trouwe groep leerlingen om zich heen verzameld, die zwarte vierkantjes op hun manchetten droegen en in hem 'een echte leider' zagen. Volgens de kunstenaar Alexander Rodtsjenko echter was Malevitsj 'een burgerlijke man met sluwe, onprettige ogen', 'oneerlijk, ijdel en op een stomme manier bevooroordeeld“.

Het valt ook moeilijk te rijmen dat de schilder in 1924 na de dood van Lenin - een openlijke kunsthater - een traktaat schreef waarin hij betoogde dat Lenin net als Christus gestorven was voor de mensen, maar in wezen onsterfelijk was. De vage teksten die Malevitsj tussen 1915 en 1930 schreef staan hoe dan ook in schril contrast met de heldere, harde composities die hij in dezelfde periode schilderde. 'Vlieg me achterna kameraden piloten, in het ondoorgrondelijke', aldus de zelfverklaarde 'voorzitter van de ruimte' in 1916. 'Ik heb de seintorens van het suprematisme opgesteld“. Je komt er als Malevitsj-biograaf niet onderuit om af en toe zijn eigen esoterische wartaal aan te halen, maar de citaten vertroebelen al gauw je tekst. Des te opmerkelijker is het dat de eerste, biografische helft van Heytings boek zo duidelijk en onderhoudend blijft. Het leukste stuk zit erop, denk je even, als het gedeelte over de Stedelijk-collectie begint.

Maar dat tweede deel blijkt een meeslepend verslag van grondig speurwerk te zijn. Uitvoerig maar nergens langdradig vertelt Heyting hoe de 29 schilderijen, 6 gouaches, 15 tekeningen en 17 “theoretische kaarten' na veel omzwervingen in Amsterdam terechtkwamen. De werken zaten in een kist die Malevitsj in 1927 na een expositie in Berlijn achterliet. Hij begreep dat zijn werk daar veiliger was dan in de Sovjet-Unie en had het plan om zelf ook spoedig naar Duitsland te verhuizen.

Dat laatste lukte niet. Hij stierf acht jaar later in Sint-Petersburg, toen Leningrad. Zijn werk werd in Berlijn de eerste jaren beheerd door een vriend, de schilder Alexander von Riesen. Die liet de collectie in 1930 overbrengen naar het Provincial-Museum in Hannover. Toen in 1936 Hitlers 'Reinigung der Museen' dreigde, gingen de werken terug naar Berlijn, waar de architect Hugo Häring zich erover ontfermde omdat Von Riesen een ernstig motorongeluk had gehad.

Het was Häring die in 1958 een groot deel van de collectie verkocht aan het Stedelijk Museum. Hij had eerst zijn zwager, die notaris was, een akte laten opmaken waarin hij verklaarde dat Malevitsj hem dertig jaar eerder zijn werken had toevertrouwd en dat hij de eigenaar zou worden als de schilder niets meer van zich liet horen. Willem Sandberg, van 1945 tot 1962 directeur van het Stedelijk, twijfelde indertijd wel aan die verklaring, maar kon geen erfgenamen achterhalen en wou de 'spotgoedkope' collectie niet aan zijn museum voorbij laten gaan.

In 1988, toen het IJzeren Gordijn begon te scheuren, meldden de dochter en kleindochter van Malevitsj zich alsnog. Hun 35 erfgenamen procederen nu in Amerika tegen het Amsterdamse museum. Genuanceerd zet Heyting de zaak uiteen. Uiteindelijk lijkt ze partij te kiezen voor de erfgenamen, maar alle enerzijdsen en anderzijdsen komen netjes aan bod.

Willem Sandberg was waarschijnlijk 'vervuld van goede bedoelingen. Hij heeft de collectie bijeen weten te houden, laten restaureren en internationaal bekend gemaakt'. 'De erfgenamen komen er wel laat mee,' wordt voormalig Stedelijk-directeur Edy de Wilde geciteerd. En oud-directeur Rudi Fuchs zegt: 'Ach, die erfgenamen, die willen alleen maar geld zien'. De lezer mag een kant kiezen, of niet. Heyting dringt niet aan. Ze overtuigt intussen wel als verteller, want je twijfelt geen moment aan het belang van haar boek.

Lien Heyting: De verdwaalde collectie. De schilder Kazimir Malevitsj en de strijd om zijn erfenis. Prometheus/NRC Handelsblad, 223 blz. euro 19,95.