Rombom! Sla de trom!

Dat Fouad Laroui excelleert in exuberant taalgebruik wisten we al uit zijn vorige werk. In zijn romans, verhalen en ook in zijn poëzie kneedt hij de taal (zijn moedertaal is het Frans), rekt hij haar uit, ontdoet hij haar van clichés en tuigt hij haar op met nieuwe woorden en onalledaagse uitdrukkingen.

Fouad Laroui Foto Bram Budel Fouad Laroui marokkaans schrijver, dichter, intelectueel. Voor het opinie interview blokje. FOTO: BRAM BUDEL Budel, Bram

In zijn recent vertaalde roman Het tragische einde van Philomène Tralala, gooit hij alle remmen los. De vertaler, Frans van Woerden, verdient een medaille voor de manier waarop hij dit bijzonder moeilijke Frans in het Nederlands heeft weten om te smeden. Hij heeft het origineel rechtgedaan maar ook het Nederlands, dat zich een waardige partner van het Frans toont.

“Vol, hoezo vol? Ja volgelopen, tot aan d'r strot! Kan geen druppel meer bij! Rombom! Rommeldebom! Sla de trom! Alarm! Ervandoor! Maak dat je wegkomt! Het is Philomène! Philomène Tralala, de schrijfster, black én beure! Kleintje Arabische koffie! Heldin van de francophonie! Francofanaterie! Knettergek! Modderspuiter in de overdrive! Bek-op-poten! Twistspecialist! Fluim-in-de-soep! Bang voor niks! Buikdans in de Académie française! Hanteert haar pen als een sabel !'.

Of het nu een serie uitroepen is als deze, een onnavolgbare, innerlijke monoloog die bestaat uit een eindeloze reeks korte, door puntjes van elkaar gescheiden gedachten, een reeks scheldwoorden, een pittige dialoog of een krankzinnige gebeurtenis, het Nederlands blijkt, in de handen van deze kundige vertaler, in staat om naadloos het Frans te volgen.

Het tragische einde van Philomène Tralala is een meesterlijke satire in de beste Franse traditie. De Tralala uit de titel is een rondborstige, zwarte, Marokkaanse, Berberse schrijfster die ten prooi valt aan alle vooroordelen en obstakels die een auteur met die uiterlijke en innerlijke kwaliteiten maar ten deel kan vallen. Ze lijkt op de Kameroense schrijfster Calixthe Beyala, die na een plagiaat-affaire geen roman meer heeft gepubliceerd; ze is een geestverwant van de Frans-Senegalese auteurs Marie Ndiaye en Fatou Diome wier romans er even scherpzinnig van getuigen hoe Europese burgers omgaan met zwarte, intelligente vrouwen.

Laroui maakt van Tralala een vlammende karikatuur en geen personage van vlees en bloed. Zij is - moeten wij aannemen - een succesvol schrijfster die dag en nacht, in binnen- en buitenland, gestalkt wordt door een geile, beroemde literatuurcriticus. Talkshows nodigen haar uit - niet om over haar boeken te spreken, maar omdat ze dan verzekerd zijn van een goeie rel, een aantal geruchtmakende stevige uitspraken die haar gemakkelijk zijn te ontlokken en een paar mooie beelden. (“Woede vlamt scherp op.. 't komt van heel diep, mijn ingewanden, slaat omhoog, komt op... Hé, zeg es! Ik schrijf, ben geen callgirl!').

Vanaf haar jeugd door mannen bepoteld en erger, heeft Philomène Tralala een enorme woede ontwikkeld ten aanzien van het mannelijk geslacht, dat haar doorgaans beschouwt als een lekker exotisch hapje. En passant krijgt het hele incestueuze Parijse literaire wereldje ervan langs. Het is die diepgewortelde woede en haat die zich uit in het taalkundig spervuur dat de lezer over zich heen krijgt.

De lezer die begint te verlangen naar een heuse verhaallijn, krijgt al bij voorbaat een tik op de vingers. 'Dat fossiel van een Plumme [Tralala's uitgever] verwijt me wel eens dat er geen beschrijvingen in mijn boek zijn. ,,Beschrijf de dingen toch eens, potverdorie! Er zijn toch huizen, kamers! Er zijn toch deuren!'' Ik sta echt paf. Daar heeft Breton toch al een paar eeuwen geleden korte metten mee gemaakt?' Een klassieke roman, kortom, hoeven we van Laroui niet te verwachten.

Net als in zijn eerdere romans gaat Laroui's aandacht uit naar het individu, vooral naar de vraag 'wie ben ik'. 'Ik ben noch burger van Athene noch burger van Griekenland. Ik ben wereldburger', laat hij Tralala, Socrates citerend, denken. Onophoudelijk wordt Laroui's alter ego met lastige, kritische vragen bestookt. Waarin is zij eigenlijk nog Marokkaans? Waarom schrijft zij in het Frans, terwijl zij 'gekoloniseerde' is? 'Het is de enige taal die ik zo goed beheers dat ik hem zo kan forceren, mishandelen, in tienduizend knopen kan leggen dat-ie precies zegt wat ik wil zeggen, ook al is het nog zo ongehoord en moet ik er zelfs nieuwe woorden voor bedenken. Wat dát is in feite literatuur, dat soort gewelddadigheid'.

Uiteindelijk komt Laroui, de Verlichtingsdenker, bij wat voor hem de kern is van het individu. 'Ik heb wel drie, wel vier, wat zeg ik, wel vijf, wel x kanten. Ben vrouw, zwart, Arabisch, Berbers, Française, gekoloniseerde, Marokkaanse En dan zeg ik nog niet de helft Duizend beelden van mij vermenigvuldigen mijn licht Duizend facetten. Waarom zou ik er een van wegpoetsen?'

Fouad Laroui: Het tragische einde van Philomène Tralala. Uit het Frans vertaald door Frans van Woerden. Van Oorschot, 112 blz. euro 15,-

    • Margot Dijkgraaf