Ritje naar de Rijksdag

Taxichauffeur Sven weet alles van Berlijn en blijkt ook een interessant verleden te hebben.

Hij is vrijwel overal afgebroken, maar na vijftien jaar zit de Muur bij Sven nog altijd im Kopf. Hij zegt het zonder sentimentaliteit. De jeugd kent de Muur alleen van foto's, televisiebeelden en verhalen, maar Sven rijdt in zijn auto dagelijks nog door onzichtbare checkpoints heen. Het moet een soort fantoompijn zijn. Hij is er niet meer, en toch is hij er nog altijd. De fantoommuur.

Hij moet al tegen de veertig lopen, maar hij heeft nog altijd iets jongensachtigs. Een vrije, goedgeluimde jongen met kort zwart haar en een hoornen brilletje. Sven is taxichauffeur en rijdt ons rond door zijn stad. Soepel stuurt hij zijn zwarte Mercedes S-klasse over de brede boulevard, waar een kolossaal stalinistisch gebouw uit de jaren vijftig staat. De Partij wilde laten zien dat in het 'reëel bestaande socialisme' gewone arbeiders konden wonen in gebouwen die in het Westen alleen voor de bourgeoisie bereikbaar waren. 'Arbeiterpalaste werden die genoemd“, zegt Sven. Hij komt uit het oosten van de stad, of von drüben.

Bij het Ostbahnhof slaat hij rechtsaf, de East Side Gallery op. Dit is de laatste plek waar nog een flink deel van de Muur overeind staat. Graffiti-artiesten hebben hem flink onder handen genomen. Het is een rekwisiet uit een toneelstuk dat allang afgelopen is, dat van de anarchistische tegencultuur die hier in de jaren zeventig en tachtig bloeide. David Bowie maakte hier in die tijd een paar goeie platen, Christiane F. tippelde bij Bahnhof Zoo, en 'autonomen' verbouwden geregeld de etalages van de lokale middenstand.

In de wereld van Sven bestonden noch heroïneverslaafden noch autonomen. Hij woonde 'drüben', in een land waar orde en tevredenheid heerste. Gezien heeft hij het waarschijnlijk wel, op tv. De West-Duitse zenders waren in de hele DDR te zien, en alle sociale problemen in het Westen werden sowieso breed uitgemeten op de staatstelevisie. Maar ook een leven van louter Frieden en Volkssolidarität kan gaan vervelen.

“Praatten jullie vroeger wel eens over ontsnappen naar het Westen?“, vraag ik aan Sven. 'Over een zwakke plek in de Muur bijvoorbeeld?“ De vraag bevreemdt hem zichtbaar en even valt hij stil. 'Nee... nee, daar werd nooit over gesproken.“

We rijden het centrum in, passeren de oude Humboldt-universiteit, enkele bombastische cultuurtempels uit de Wilhelminische tijd, rijden de Friedrichstrasse in. 'And now for the ladies: the Galeries Lafayette.“ Sven heeft er lol in, het stedelijk bureau voor toerisme zou hem in dienst moeten nemen. De Potsdamer Platz. Hij noemt de architecten die het beroemde plein, waarvan na de oorlog slechts een woeste vlakte overbleef, in de jaren negentig opnieuw in glas en beton hebben herschapen. “Renzo Piano, Helmuth Jahn, all world famous architects.“

Ik complimenteer hem met zijn uitgebreide kennis van de stad. “Ach, ik ben al twintig jaar taxichauffeur“, zegt Sven. 'Je pikt het stukje bij beetje op.“ Was hij in de DDR dan al taxichauffeur? 'Jazeker“, antwoordt hij. 'Ik reed voor de Stasi.“

Hij zegt het zomaar, zonder enige gêne. Voor de Stasi. Wat deed een Stasi-chauffeur eigenlijk? Een beetje partijbonzen en bureaucraten rondrijden? Of hoorde het vervoeren van volksvijanden naar psychiatrische inrichtingen ook tot Svens dagelijkse routine? Op zijn vriendelijke gezicht is het antwoord niet te lezen. Ik zou het hem moeten vragen om erachter te komen, maar ik aarzel. En bovendien zijn we al aangekomen bij de Rijksdag, het eindpunt van de rit.

“Dat was zeker interessant werk“, vraag ik. 'Reken maar'', antwoordt hij met een grijns op zijn gezicht. We rekenen af en dan rijdt hij weg. Sven heeft opnieuw zijn lading afgezet op de plaats van bestemming.