Linguam et mores secum vexit *

Minister Verdonk wil dat er op straat uitsluitend nog Nederlands wordt gesproken. Ilja Leonard Pfeijffer loopt buiten met een vriend en citeert Célan in het Duits. “De wijkagent bleek tot ons grote geluk een poëzieliefhebber.'

“Nederlands praten op straat is heel belangrijk. Ik krijg van veel mensen mailtjes dat zij zich unheimisch voelen op straat.“ Laten we hopen dat Minister Verdonk van Vreemdelingenbeleid en Integratie deze uitspraak tegen een journalist van de Volkskrant niet op straat heeft gedaan, want het gaat al onmiddellijk fout. Unheimisch, dat is natuurlijk geen Nederlands. Dan kun je net zo goed zeggen dat mensen zich niet senang voelen, niet happy, niet baniz, niet boega, niet bon, niet bung sannetje, niet breti maar broeia en fucked-up. Of mag Duits wel op straat, for old times sake, zullen we maar zeggen? In dat geval mogen we hopen dat de minister haar Duits nog een beetje bijspijkert, want unheimisch is ook niet eens Duits. Het woord dat zij bedoelt is unheimlich. Of zou de minister het expres fout doen? Een beetje vreemde woorden lopen verbasteren om daar een geheimtaaltje van te brouwen dat alleen gelijkgestemden nog begrijpen, net zoals snotjongens doen in de metro naar Gein en Ommoord, gewoon omdat zij dat vet chillen vindt?

In hetzelfde artikel in de Volkskrant doet burgemeester Opstelten van Rotterdam geruststellende uitspraken over de bedoeling van de code die in zijn stad van kracht is en die als voorbeeld dient voor Verdonks landelijke visie. Volgens hem moet de code niet als wet worden gezien. “Het is niet zo dat wanneer ik op de Coolsingel een andere taal hoor, ik ga bellen. Het gaat er niet om dat er nooit iets anders mag worden gesproken. Maar we moeten duidelijk maken dat als je Nederlands niet in je genen hebt, je het hier gewoon niet redt.“

Dat verklaart veel. Natuurlijk is het niet verboden dat iemand op straat een keer als het zo uitkomt een raar, niet-bestaand woord zegt als unheimisch. Daar gaat de burgemeester althans niet meteen over bellen. Het gaat om de genen. Die moeten Nederlands zijn. Het gaat om de erfelijke en aangeboren kenmerken. Als die maar Nederlands zijn, dan wordt een vreemde taal op zijn tijd door de vingers gezien. Pas als duidelijk is dat iemand geen Nederlandse genen heeft - en gelukkig kun je dat bij veel mensen onmiddellijk zien aan hun uiterlijk - dan pas gaat de burgemeester bellen. Overigens moet Opstelten wel uitkijken, want uit zijn uitspraken blijkt niet bepaald dat hij de Nederlandse grammatica in zijn genen heeft. Tegen de regels van de Nederlandse syntaxis in plaatst hij tot twee keer toe het onderwerp van de bijzin na de bepaling.

Bewindslieden die iets zeggen over taal, moeten op hun woorden passen. “Nederlands praten op straat is heel belangrijk.“ Wat is dat nu eigenlijk helemaal voor zin? Wat staat er? Wat de minister bedoelt, is dat zij het belangrijk vindt dat mensen zich voor hun talige communicatie op straat bedienen van het Nederlands en niet van andere talen. Maar dat zegt zij niet. Zij zegt dat Nederlands praten op straat heel belangrijk is, dit in tegenstelling bijvoorbeeld tot het maken van kleurige stoeptekeningen op straat, touwtjespringen op straat, of zomaar wat stilzwijgend voor je uitkijken op straat. Laten we gehoor geven aan haar oproep. Wat gaan wij doen vandaag? Wij gaan de straat op en allemaal Nederlands praten. Heel veel en heel hard. Over alle onderwerpen die ons maar te binnen schieten. We mogen geen moment stilvallen. Als we maar Nederlands praten op straat. De minister vindt het belangrijk dat wij dat doen.

Was het maar zo grappig. Gisteren werd ik op straat aangesproken door een toerist die mij in het Engels de weg vroeg. Zodra ik bekomen was van de schrik, legde ik hem een hand op zijn mond en sleurde ik hem een donker portiek in. Ik vergewiste mij ervan dat niemand ons had gezien. Vervolgens maakte ik hem in gebarentaal duidelijk dat hij zichzelf en mij in groot gevaar had gebracht met zijn onbezonnenheid. Verder probeerde ik hem uit te leggen dat het wellicht voor hem beter was zich helemaal niet meer op straat te begeven. Hij had een donkere huidskleur en het was overduidelijk dat zijn genen niet Nederlands waren. Met gevaar voor eigen leven heb ik hem een briefje in de hand gedrukt met een betrouwbaar onderduikadres.

Was het maar zo grappig. Eergisteren maakte ik een wandeling over straat met een goede vriend. Wij spraken over poëzie. Hij citeerde een passage uit de derde satire van Juvenalis: “iam pridem Syrus in Tiberim defluxit Orontes, et linguam et mores secum vexit'. Ik antwoordde hem met een citaat van de dichter Célan: “Schwarze Milch der Frühe wir trinken sie abends'. De wijkagent, die onze conversatie had opgevangen, bleek tot ons grote geluk een poëzieliefhebber. Wij kwamen er vanaf met een waarschuwing. Mijn vriend vertelde mij daarna, toen wij veilig en wel van de straat af waren, dat een vriendin van hem minder gelukkig was geweest. Zij was opgepakt omdat zij op straat “blauwbilgorgel' had gezegd, in de overtuiging dat dit gewoon Nederlands was. De rechter had er anders over geoordeeld.

En dan moet het nu ook maar eens zijn afgelopen met die onzin van Engelstalige colleges aan onze Nederlandse universiteiten, wat de voormalige minister van onderwijs Ritzen zo graag wilde. Alle hoogleraren en universitaire docenten die niet in staat zijn om in het Nederlands college te geven, dienen op staande voet ontslagen te worden. Onvaderlandslievende initiatieven zoals het geheel Engelstalige University College in Utrecht moeten onverwijld worden opgeheven. Het zou immers absurd zijn van gewone mensen te verwachten dat zij Nederlands praten op straat, wanneer het de bloem der natie in ons van staatswege bekostigd hoger onderwijs toegestaan zou zijn hun Nederlands te verkwanselen.

En al die targets, outplacements, competence-centers, stockholders-meetings, client-development, marketing, sourcing, contracting, recruitment en consultancy in het bedrijfsleven dienen ook met onmiddellijke ingang te worden verboden. Waarom zouden duurbetaalde managers in hun kantoortorens wel mogen wat de gewone man op straat niet mag? En al die aanstellerij met dialecten moet ook verboden worden. Hoewel Limburgs en Nedersaksisch officieel zijn erkend als streektalen en hoewel het Fries sinds de wijziging van de Algemene Wet Bestuursrecht in 1995 evenals het Nederlands een officiële status heeft gekregen, mag vanaf nu op straat alleen nog maar Nederlands klinken.

Was het maar zo grappig. Wie besluit het voorstel van minister Verdonk te veel eer aan te doen door het een kort moment serieus te nemen, stuit onmiddellijk op de vraag wat Nederlands precies is. Het Algemeen Beschaafd Nederlands is een fictie, die door geen mens in dit land, met uitzondering van een gepensioneerde nieuwslezer, als natuurlijke taal wordt gesproken. Wanneer dat de norm zou zijn, zou de overgrote meerderheid van autochtone Nederlanders niet in staat zijn aan de norm te voldoen. De vraag hoe Nederlands als taal te definiëren valt, is buitengewoon lastig te beantwoorden en in linguïstisch opzicht tamelijk onzinnig. De taal varieert van streek tot streek, van stad tot stad, van dorp tot dorp, taalgebruik is in hoge mate gerelateerd aan opleidingsniveau en sociale klasse en de taal is bij voortduring aan evolutie onderhevig.

De taal die de minister als Nederlands wenst te beschouwen, is onder haar ogen aan het veranderen, mede onder invloed van vreemde talen die in Nederland worden gesproken. Zoals het Frans eerder van invloed is geweest op het Nederlands, zo is het Engels dat nu. Straattaal van jongeren wordt in hoge mate beïnvloed door het Turks en het Marokkaans. Dit zogenaamde “Murks' verandert het Nederlands waar wij bijstaan. Binnen enkele decennia zal de invloed in alle sociale klassen en leeftijdsgroepen traceerbaar zijn. Het is onzinnig om dit te beschouwen als een onwenselijke ontwikkeling. Het is een natuurlijk proces dat zo oud is als menselijke spraak zelf. Taal ontwikkelt zich autonoom. Geen bewindsvrouwe die daar iets aan kan doen. En het is niet alleen onontkoombaar dat taal verandert, het is ook leuk, boeiend en fascinerend. Het getuigt van onwetendheid en angst om mondeling taalgebruik in de openbare ruimte te willen reguleren conform een fossiele en ondefinieerbare norm.

Het is helemaal niet grappig. Dat is het allerergste. Want we weten allemaal donders goed wat de minister bedoelt. Natuurlijk wil zij geen verbod uitvaardigen op het Fries, Twents, Limburgs, Hagenees of plat Amsterdams. Natuurlijk bedoelt zij niet dat zij er problemen mee heeft dat toeristen op straat een andere taal dan Nederlands spreken of dat Nederlanders toeristen in een vreemde taal behulpzaam trachten te zijn. Natuurlijk mag er van haar buitenlandse poëzie geciteerd worden op straat. Natuurlijk mogen mensen van haar zelfs zonder te citeren Frans, Duits of Engels praten op straat. Italiaans en Spaans zal zij evenmin willen verbieden. Daar voelen de mensen zich niet unheimlich van. Want wij weten allemaal donders goed wat zij bedoelt. Vieze enge terroristentalen van unheimliche mediterrane types, dat is waar de mensen bang van worden en op die angst speelt zij in. Turken en Marokkanen en andere ongure Arabische sujetten, die heeft zij op het oog. Hun wil zij het verbod opleggen in het openbaar in hun moedertaal te communiceren.

Dit betekent dat er twee mogelijkheden zijn. Ofwel de minister ontkent de bedoelingen die ik haar in de vorige alinea heb toegedicht en verklaart dat zij wel degelijk ook het Fries, het Spaans en het Engels op het oog had en dat het wel degelijk haar intentie was Nederlanders te verplichten om buitenlandse poëzie in het openbaar uitsluitend nog in vertaling te citeren en toeristen uitsluitend nog in het Nederlands te woord te staan op straat. Ofwel zij ontkent dit niet, waarmee zij bevestigt dat haar voorstel een overtreding van artikel 1 van de grondwet impliceert, doordat zij sommigen die zich in Nederland bevinden anders dan anderen het recht ontzegt op gebruik van hun moedertaal in het openbaar en waarmee zij bevestigt dat haar voorstel, in discriminatie van een bepaalde groep minderheden op grond van hun afkomst, racistisch is. In dat geval kan het bovenstaande beschouwd worden als aanklacht.

* Hij nam de taal en de zeden met zich mee