'Ik heb het rood van't joodse bruidje lief'

...het broderietje kruip ik over, 't kuise

blozende vergood ik, schroomvol ruisende

de rode gewaden als bijna-dode wingerdbladen

om haar heen, een ruif is zij mijn haverkist,

mijn stoof van suikering, de kozende struise,

een struikje broos, ik heb mijn hand op dit

broodje gelegd - de ruiker van haar konen

rozen, zij is het blote fruit aan mij geopend,

ruigte van het toegedane, schoon ontluiken

in hoofs genegenzijn, o vroom beschuitje,

boterschaapje, vlam van dromerig verpozen en

de roze handen, roomsoezige blankte schuilend

onder inkarnate korenschoof van 't grootse

bruidje, en ik gouden man heb lief dit alleen

aan de dood te verliezene, glorende duifje.

(met dank aan Pierre Kemp)

Het joodse bruidje