Het woord tegen de wereld

Het selectiebeleid van een uitgever is vaak net zo ondoorgrondelijk als dat van de coach van een nationaal voetbalelftal. Dat geldt vooral wanneer het buitenlandse auteurs betreft: waarom bijvoorbeeld krijgen volstrekt bleue schrijvertjes die in turbotaal puberaal leed uitventen de voorkeur boven romanciers met een respectabele staat van dienst? Waarom denkt men meer te scoren met het 'kannibaalse' proza van Tarantino-fan Niccolò Ammaniti (1966) dan met het hilarische proza van Stefano Benni (1948), die in vele opzichten een leermeester is van Ammaniti's generatie? Is het omdat zelfs de literaire uitgever doorgaans buigt voor de waan van de dag, zoals diezelfde Benni suggereert in zijn roman De snelvoetige Achilles, het eerste boek van deze heerlijk balsturige schrijver dat nu aan het Nederlandse lezerspubliek wordt aangeboden? 'We hebben een succes nodig,' zegt de dikbuikige maar berooide uitgever Vulcanus in dit boek, 'een echt succes. Iets wat niemand leest maar door iedereen wordt gekocht'.

Stefano Benni Foto Cesare Cicardini Cicardini, Cesare

Tegen het einde van de roman lijkt dit succes er inderdaad te komen. Weliswaar met behulp van een hoop gemarchandeer, bittere compromissen, leugentjes om bestwil en een wagonlading tragikomische verwikkelingen. De scharnierpunten van deze verwikkelingen zijn Achilles, een zwaar gehandicapte cynicus, en Ulysses, medewerker van Vulcanus' uitgeverij, columnist en schrijver van één boek. Beide door het lot beproefde heren komen met elkaar in contact als de een de ander benadert omdat hij een liefdesgeschiedenis wil schrijven, maar als invalide wel over de woorden maar niet over de wereld beschikt.

Anders gezegd: Achilles, op Ulysses' bestaan geattendeerd door diens boek, wil dat laatstgenoemde hem vertelt over zijn vriendin Pilar, een Latijns-Amerikaanse schone, zodat hij daaruit een verhaal kan wrochten. De communicatie verloopt moeizaam omdat Achilles amper kan spreken; zijn vaak vulgaire vragen (“Heb je haar weleens in haar kont genaaid?') en bijtende commentaren tikt hij in op het toetsenbord van zijn computer en Ulysses leest ze op een scherm. Maar het klikt wonderwel tussen de twee. Achilles maakt fictie van Ulysses' werkelijkheid of soms wordt Achilles' fictie (aan Ulysses gemailde verhaaltjes) zelfs Ulysses' werkelijkheid.

De roerloze man in de rolstoel brengt beroering in het leven van de in zijn gevoelsleven en schrijverscarrière geblokkeerde Ulysses, mobiliseert de mens in zijn door nachtmerries of slapeloosheid geplaagde kameraad. En samen trekken deze vaandeldragers van de verbeelding ten strijde tegen de boze buitenwereld, die wordt beheerst door een schaamteloze consumptiecultuur (ondanks een economische crisis) waar 'het brood van de waardigheid' echter niet meer verkrijgbaar is.

Het gezicht van deze gewetenloze graaicultuur is Phoebus, de broer van Achilles, 'prototype van mooipraterij, van criminele hebzucht, van verachting voor pijn en verdriet, een held van deze tijd.' Deze eerzuchtige politicus is een volgeling van de Duce, met wie niet Mussolini maar Berlusconi wordt bedoeld, die niet alleen eigenaar is van de supermarkt waar Ulysses' geliefde Pilar wordt ontslagen, maar wiens oppermachtige uitgeefconcern ook nog eens het boekenbedrijfje van Vulcanus dreigt op te slokken. Achilles is zijn broer een doorn in het oog, en Phoebus poogt dan ook met slinks geweld zijn gehandicapte en opstandige bloedverwant naar een kliniek te verbannen, zodat het huis verkocht kan worden aan de aangrenzende bank, ook al bezit van de Duce.

Hoewel Benni al te expliciete en directe uitspraken vermijdt, is het duidelijk dat zijn satirische schimpscheuten betrekking hebben op het hedendaagse Italië. Het is een land dat is “gecastreerd, onder videocommando, teleonanistisch, verdoofd door reclamespotjes van een miljardair vervuld van haat [...] een pretpark voor delinquenten, een onderneming zonder nog een spoor van ideeën en hoop.'

Niet alleen de namen hebben een mythische klank in De snelvoetige Achilles, ook aan alledaagse zaken geeft Benni een mythische en sprookjesachtige dimensie en kleur. Een bus doet zich voor als een draakrups, een rolstoel als 'een troon van sneeuwwit tetraluminescent marmer', een plafonnière als een groot diepzee-oog, op de stoep liggen 'Assyrische hondendrollen', de tv vertoont zich als 'het tralievenster van een biechtstoel bij je thuis, en daarachter een priester met pailletten'. En, last but not least, Achilles zelf, die op een fabeldier lijkt met zijn uiterlijk van olifantenman. Alleen al als verschijning is dit personage emblematisch voor het soort literatuur dat Benni bedrijft: buitenissig, spotlustig, grillig, cartoonesk.

Ook de inborst en het gedrag van deze held belichamen het programma van Benni: van een verzande werkelijkheid snelvoetige literatuur maken, waarbij er met zwier en plezier volop wordt gemetaforiseerd en gemetamorfoseerd. Als zodanig doet het werk van Benni sterk denken aan dat van de door hem bewonderde Raymond Queneau: dezelfde speelsheid, dezelfde experimenteerlust, dezelfde muzikaliteit, absurditeit en humane humor. Maar je zou hem ook een erfprins van de grote Carlo Emilio Gadda kunnen noemen, verzot als hij is op woordspelingen en uitzinnige taalgrappen (geen sinecure voor een vertaler!), maar tegelijkertijd blijk gevend van een geëngageerde, kritische blik. Want anders dan zijn literaire neefjes Ammaniti, Lucarelli en andere beoefenaars van het zogeheten 'pulpgenre', is Benni een postmodernist die geen vrijblijvende spelletjes speelt, maar ontregelende procédés inzet om een non-conformistisch wereldbeeld te uiten.

Ook in stilistisch opzicht steekt hij met kop en schouders uit boven de meeste Italiaanse auteurs die de afgelopen jaren de voorrang kregen van de Nederlandse uitgevers. In één zin weet hij een personage haarscherp neer te zetten (bijvoorbeeld over Phoebus: 'Op een keer hadden ze een kras op zijn auto gemaakt en het was of ze een nier bij hem hadden weggenomen') of een compleet melodrama subliem samen te vatten: 'Er was maar één tafeltje bezet: een stel dat elkaar niet aanzag, maar star in de richting van de Seychellen bleef kijken.'

Venijn, verbositeit, verbeeldingskracht en maatschappijkritiek vloeien vaak samen tot een krachtig brouwsel, zoals in deze doeltreffende en tegelijk onweerstaanbaar grappige aanklacht tegen de consumptiemaatschappij: 'In de schappen liggen nog etenswaren en spullen genoeg om de honger van half Malawi te stillen, in Botswana diabetes te introduceren, Benin dronken te voeren, half Groenland te kleden, alle kindertjes van Jemen te laten spelen, de guano-eilanden van de Galápagos te parfumeren [...], de Laplandse nacht te verlichten'.

Soms ontaardt de taalanarchie in meligheid, maar meestentijds betoont Benni zich een groot humorist. De snelvoetige Achilles is een sieraad tussen de Italiaanse romans die het laatste decennium door de Nederlandse uitgevers zijn aangekocht. Laten we hopen dat ook vroegere juweeltjes uit Benni's oeuvre, zoals Il bar sotto il mare en Terra!, alsnog vertaald worden. Zodat zowel de uitgever als de lezer hier te lande doordrongen raakt van wat volgens de manuscriptenbeoordelaar Ulysses de taak van de literatuur behoort te zijn: 'De wereld het hoofd bieden met de woorden waarmee je haar hebt uitgedaagd.'

Stefano Benni: De snelvoetige Achilles. Vertaald uit het Italiaans door Anthonie Kee. Wereldbibliotheek, 239 blz. euro 17,90

    • Peter Drehmanns