Het overrompelende gemak

Vanavond om acht uur luiden in heel Oostenrijk de kerkklokken om de 250ste geboortedag van Mozart te vieren. Maar eigenlijk wordt de geboorte gevierd van die ene unieke maat, waarin zich het geheim van de componist bevindt.

Volgens mijn muziekvriendje op de middelbare school was er eigenlijk niks aan. Mozart, zo zei hij, dat ging gewoon zó, waarna hij een wijsje van eigen vinding inzette dat inderdaad erg leek op de melodieën die uit zijn Triotrack kwamen wanneer we naar een pianoconcert of een symfonie luisterden. We wisten heus wel dat we onszelf voor de gek hielden, maar wat nu precies Mozart tot Mozart maakte (en niet tot Stamitz) konden we niet uitleggen.

Een paar jaar later, inmiddels een jaar van school af, vergaapte ik mij in Carré aan de opera Reconstructie, een collectief werkstuk van vijf componisten, onder wie wijlen Peter Schat en wijlen Jan van Vlijmen, en de schrijvers Mulisch en Claus. Ik weet niet waarvan ik meer onder de indruk was, van de wijze waarop het heetgebakerde clubje mijn toonkunst op haar grondvesten deed schudden of van het kekke Mozartoperaatje dat halverwege de voorstelling klonk. Dat konden ze dus óók, de jongens. Het was een prikkelende pastiche op Madurodamformaat, bestaande uit de kortste aller ouvertures plus een handvol recitatiefjes en ariaatjes met alles erop en eraan. Aan de ene kant klopte er hoorbaar niets aan (hoezo, een Mozartorkest zonder violen?), aan de andere kant klopte er alles aan - en zelfs meer dan dat. De listige uitvergroting van bepaalde stijlfiguren was de beste les in Mozart die ik mij op dat punt van mijn luistergeschiedenis kon wensen. Reconstructie was opgezet als een alfabet en het stukje namaak-Mozart klonk bij de I is voor Illusie. De illusoire Mozart was op dat moment waarder dan alle Ave Verums bij elkaar.

Dat neemt niet weg dat ik het, met alle luisterervaring en boekenwijsheid die ik sindsdien heb opgedaan, lastig blijf vinden om uit te leggen wat Mozart precies tot Mozart maakt, al wijt ik dit niet langer speciaal aan Mozart. In feite is dat wat Chopin tot Chopin of Bartók tot Bartók maakt minstens zo ongrijpbaar, om niet te zeggen transcendent. Waar we al analyserend en inventariserend de vinger op leggen is niet Mozart, maar het Mozartachtige, het Chopinachtige, het Bartókachtige. Uitgerekend daar waar het “achtige' omslaat in het authentieke en het onverwisselbare, lijkt elke muziek die ertoe doet zich definitief terug te trekken achter de horizon van onze compositorische inzichten. Leonard Bernstein heeft eens een interessante poging gedaan om van de g-moll Symfonie een Mozartachtig werk te maken door de periodisering van de muziek drastisch te vereenvoudigen. Je zou kunnen zeggen dat hij de wortel uit Mozart trok waar de Reconstructie-club de componist kwadrateerde. Bernstein kwam een heel eind, maar zijn conclusies hadden geen algemene geldigheid. Allicht niet. Hadden ze dat wél gehad, dan hadden zij nu juist op het Mozartachtige betrekking gehad.

Je kunt je afvragen wat de inzet is van de viering van zijn tweehonderdvijftigste verjaardag: Mozart of het Mozartachtige. Gaat het om de banale exploitatie van een formule, om goed verhandelbare nafluitbaarheid, toegankelijkheid en goedgemutstheid, om de behoefte aan meer van hetzelfde, kortom, om het muzikale koek-en-ei-gevoel of gaat het om het raadsel? Want een raadsel is en blijft het, dat, zeg, het Strijkkwintet in g KV 516 zijn wortels hoorbaar in hetzelfde openbaar toegankelijke muzikale volkstuintje heeft als “Ah, vous dirai-je, Mamam', alias “Altijd is Kortjakje ziek.' Het verbazingwekkende zit 'm evenwel niet zozeer in de toegankelijkheid van het stuk als in de muzikale superioriteit ervan. De vanzelfsprekendheid waarmee een ooit algemeen gedeelde muzikale taal en een ooit algemeen gedeelde muzikale stijl er in dit oeuvre keer op keer in slagen te verbijzonderen en op te gaan in unieke, van plaats en tijd losgezongen muzikale mededelingen - dát is nog het minst vanzelfsprekend.

Ik bedoel hier niets bovennatuurlijks mee. Luister naar de Gran Partita - het Nederlands Blazers Ensemble heeft er onlangs op zijn eigen label weer een opname van uitgebracht die een plaatsje in de cd-verzameling verdient (NBECD017). Het is Mozarts langste instrumentale compositie, al was het een ander en niet hijzelf die er “Gran' boven zette. En behalve op zijn langst is het Mozart op zijn grootst, zoals je hem, eerlijk is eerlijk, echt niet hoort op elke track van de 180 cd's tellende Complete Mozart Edition die u sinds 1991, het vorige jubeljaar, voor een deel nog altijd onuitgepakt in de kast hebt staan.

De Gran Partita is een werk waarvan steevast gezegd wordt dat het zijn genregenoten ver achter zich laat; dat het doorstoot tot in het symfonische; dat het zelfs raakt aan de wereld van de opera. Je hoeft niet vertrouwd te zijn met alle muziek waarmee het stuk vergeleken wordt, je hoeft zelfs nog nooit van je leven een serenade gehoord te hebben, om toch te weten dat het allemaal waar is. Dat het waar móet zijn. Dat deze muziek iets bewerkstelligt waaraan het doorsnee specimen van het genre bij lange na niet toekomt.

Genre? Niks genre. Elk meesterwerk is zijn eigen genre.

Niets is zo moeilijk als de eigenheid van een werk op heterdaad te betrappen. Musici zullen desgevraagd met de vinger in de partituur wijzen of in gezang uitbarsten. Die ene maat, die ene overgang, daar bevindt zich de sleutel van het geheim. Nu eens zullen het de betoverende fluisteringen van klarinetten en bassethoorns in het variatiedeel zijn die tot pars pro toto verklaard worden, dan weer de slappe knieën veroorzakende hobotrillers in het slotdeel. Simpele, kleine klanken welbeschouwd, eenmaal losgepeuterd uit hun context. Maar vinger en strottenhoofd weten donders goed dat het niet om zomaar drieklankjes, om zomaar trillers gaat, maar om het complete muzikale organisme waaraan zij hun werking ontlenen en vice versa. Dat organisme is een zich voortdurend vertakkend verhaal, een arrangement van een denkbeeldige opera ben je bijna geneigd te denken, met delen als bedrijven, episodes als scènes, en instrumenten als personages die almaar uit andere vaatjes tappen en voortdurend van register en humeur verschieten. Tel daarbij op het overrompelende gemak dat uit de noten spreekt, de al of niet geposeerde zorgeloosheid, plus de alomtegenwoordige neiging tot verkwisting van melodische ideeën (het grote uitkauwen is van ná Mozart), en je wordt als vanzelf bevangen door een diep medelijden met de Salieri's van alle tijden.

En dan hebben we het nog niet eens over de ironie die Mozarts beste werken als een schaduw vergezelt. Geen ironie van het lollige type, eerder van de demonische soort, waarachter zich duistere afgronden openen, de soort waarop de muziek na Mozart (en Haydn) tot Stravinsky heeft moeten wachten. Het is de ironie van de schepper die als een god aan de touwtjes trekt en schuilgaat achter zijn creaties. Zelfs met zijn openhartige en aanstekelijke brieven in de hand kunnen we hoogstens gissen naar wat er, buiten de muziek, écht in die anderhalve meter kleine gestalte is omgegaan. Misschien aanzienlijk minder, althans minder diepzinnigs en hoogstaands, dan we graag willen denken. Wie weet is de universele menselijkheid die de luisteraar, betoverd door zijn opera's, sinds jaar en dag op de Salzburger meester projecteert, wel een illusie.

Hoe groot is Mozart? De musicoloog Eduard Reeser placht tegenover zijn studenten het standpunt te verdedigen dat Mozart een treetje hoger stond dan Bach, aangezien eerstgenoemde wél en laatstgenoemde géén opera's had gecomponeerd. Een enigszins administratieve zienswijze, maar zo gaat dat wanneer je het Hoogste met het Grootste vergelijkt; dan heb je geen andere keuze dan tussen triviale argumenten en muziektheologische wartaal. Allicht is er ook een reden te bedenken om tot de tegenovergestelde conclusie te komen. In dat geval staat Bach een treetje hoger dan Mozart omdat het gemakkelijker is van Bach te houden zonder je speciaal voor de Barok te interesseren, dan van Mozart zonder je in de eeuw van kwikken en strikken te verlustigen. Mozartallergie, hoe zeldzaam ook, is wijder verbreid dan Bach-allergie. De grondstof van Mozarts muziek is nu eenmaal concreter, fysieker en aardser dan die van Bach en daardoor meer behept met alledaagse associaties, variërend van kinderliedjes tot Meissenporselein. Ze kunnen eenvoudig moeilijk buiten elkaar, Mozart en het Mozartachtige. Niet toevallig is het lastiger om een goed programma met alleen maar Mozart dan met uitsluitend Bach samen te stellen. Te veel majeur, te veel menuetten, obligate herhalingen en alleen maar goedgemaakte muziek, zoals een doorgewinterde bewonderaar aan “Mozart-mad Oostenrijk' in 1991 noteerde. De Mozartpelgrim zij gewaarschuwd.

En opnieuw is Oostenrijk Mozartdol. Het wordt dringen in het gele huis aan de Getreidestrasse te Salzburg waar Joannes Chrysostomos Wolfgang Theophilus Amadeus zijn eerste stapjes zette. Clandestien een splinter van zijn zogenaamde wieg kopen is er tegenwoordig niet meer bij. Wel kun je in zijn geboortestad dit jaar 55 keer naar een Mozartmis, 260 keer naar een Mozartconcert en ook nog naar 36 Mozartoperaproducties, waaronder de Zauberflöte van Pierre Audi en Karel Appel. En uiteraard werd en wordt er druk gecongresseerd, onder meer over het wonderkind van de Getreidestrasse, Der junge Mozart, over The Sound of Europe (Die europäische Krise. Ein Klang in Moll?) en over A Global View of Mozart. Laatstgenoemd musicologisch meerjarenproject spitst zich toe op alomvattende thema's als “Mozart en Azië', “Mozart en Afrika' en “Mozart en Europa', met dank aan de tegenwoordig zo populaire receptiegeschiedenis. Deze kunsthistorische discipline heeft zich de laatste decennia ontpopt als een onuitputtelijke bron van werkverschaffing voor steeds weer nieuwe generaties academici die alles, maar dan ook alles willen weten over brandende kwesties als, pakweg, de vroeg-negentiende-eeuwse betekenis van Mozart in Portugal.

Op de vraag hoeveel Mozartherdenkingen een mens in zijn leven aankan heeft de wetenschap geen antwoord. Van de eerste in mijn leven had ik nog geen weet. Van de vorige ben ik nauwelijks bekomen, met het gevolg dat die van 2006 te vroeg komt. Maar over vijfendertig jaar ben ik er weer helemaal klaar voor - boven of, wat waarschijnlijker is, onder de grond. De verklaring van het Mozarteum in Salzburg dat de recente ophef over de zogenaamde Mozartschedel “geen invloed heeft op het werk van de Internationale Stichting' maakt dat ik de toekomst hoopvol tegemoet zie.

    • Elmer Schönberger