Haesje

Er is van mij iets over dat ik zelf niet ben.

Eerst heb ik mij er nog, terwijl wij naakt

zo heerlijk samen lagen, tegen verzet:

dat zijn wij niet, dat is hoe wij ons,

gedwongen door gewoonten, presenteren.

“Presenteren,' zei ik, “in de door de bedienden

gaaf gestreken streng geplooide kleren.'

Maar jij, met lieve woorden en met strelen

waar ik het liefst gestreeld werd,

kon me zo overreden “we laten ons vereeuwigen,'

zei jij, “en als we later niet meer leven

blijven we, elk voor zich afgebeeld

op twee ovale schilderijen

voor altijd onafscheidelijk.'

Het enige dat van ons bed - dichtbije

over was terwijl ik zo probeerde

stil te zitten voor dat portret,

waren de vlooien, twee of drie

die onder harde kraag en binnen rok

zo ongestoord - ik mocht me immers

niet bewegen - hun kriebelende

rooftocht boorden.

Portret van Haesje Jacobsdochter van Cleyburg

Ik hield mij voor dat in het licht

der eeuwigheid drie vlooien

niet meer zouden deren. Maar

nu wij beiden lang geleden alweer

gestorven zijn en zelfs de olieverf-

portretten, toen als pendanten

opgezet, mijn mans ovaal

vierkant gemaakt is en door

een ver museum is verworven -

tegen beloften in dus

wreed uit elkaar gehaald

probeer ik soms in mijn herinnering

terug te keren naar dagen van poseren.

Waar dacht ik aan, hoe bleef ik

zo sereen, hoe hield ik mij als vrouw

van de bekende bierbrouwer

zo koel, zo edel en verheven,

hoe hield ik weg uit dat portret

wat wij 's nachts samen voelden?

terwijl ik toch op spelden zat

en nog wel spelden die krioelden.

    • Judith Herzberg