Gore for president

In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw sprak men in Amerika van de 'imperial presidency', het keizerlijke presidentschap. Het was de onbedoelde vrucht van de Tweede Wereldoorlog en, in het verlengde daarvan, de Koude Oorlog. Het vond zijn bloeiperiode in de laatste fase van de Vietnamoorlog, de anderhalve ambtstermijn van Nixon.

Halverwege de jaren zeventig scheen afdoende met het verschijnsel te zijn afgerekend, het Congres, de volksvertegenwoordiging, hernam na de ondergang van Nixon zijn rechten. Maar het monster stak de kop weer op in de jaren tachtig; de internationale schandalen en de machtspolitieke uitwassen van Reagans dubbele ambtstermijn markeerden dit.

De karakteristiek 'imperial presidency' was een etiket dat critici op Amerika's uitvoerende macht plakten, het was geen doctrine die opeenvolgende bewoners van het Witte Huis hadden verzonnen om hun uitdijende persoonlijke macht te rechtvaardigen.

Met Bush is dat anders. Hij heeft zichzelf bij proclamatie uitgeroepen tot 'war president', met het impliciete oogmerk de macht van het Witte Huis absoluut te maken door het historische evenwicht tussen Amerika's staatsinstellingen te verbreken. Hieraan is niets tijdelijks, zo dienen Amerikanen en andere wereldburgers zich te realiseren.

De les die uit de geschiedenis van de laatste helft van de 20ste en het begin van de 21ste eeuw valt te trekken luidt dat oorlog ongezond is voor de trias politica, de balans tussen de uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht die de 'founding fathers', de 'framers', in de laatste decennia van de achttiende eeuw voor hun schepping, de Verenigde Staten van Amerika, hadden bedacht. De wijze mannen van Philadelphia hadden zich dat gerealiseerd toen zij de onontkoombare conclusie trokken uit hun emigratie uit het monarchale en intolerante Europa: de creatie van iets geheel nieuws dat zich, om niet besmet te raken, verre zou houden van de geweldsinstincten die van Europa een permanent slagveld maakten.

Amerika's bemoeienis met de Europese oorlogen van de twintigste eeuw betekende geen afscheid van dat voornemen. In een snel veranderende wereld waarin permanent isolement niet langer haalbaar was en besmetting altijd op de loer lag, diende het oorlogsvirus voor goed te worden uitgeroeid. Dat is dus niet gelukt. Integendeel.

Amerika's grondwet is in ernstig gevaar, zei voormalig vice-president Al Gore op Martin Luther King Day, 16 januari jongstleden, in een rede in de Constitution Hall in Washington D.C. De Democratische presidentskandidaat van 2000 liet geen onzekerheid bestaan over de richting waaruit volgens hem het gevaar komt: de Amerikaanse waarden zijn blootgesteld aan ernstige risico's door de claims zonder precedent van de regering 'op een werkelijk adembenemende uitbreiding van de uitvoerende macht'.

Op grond waarvan trok Gore die conclusie? 'Bij het begin van dit nieuwe jaar is de uitvoerende macht betrapt op het afluisteren van grote aantallen Amerikaanse burgers en zij heeft onbeschaamd verklaard dat zij onbeperkte macht heeft om dit voort te zetten zonder acht te slaan op de wet zoals vastgesteld door het Congres om dergelijk misbruik te voorkomen.' Ter illustratie herinnerde Gore aan wat de autoriteiten destijds dominee King, voorvechter van de rechten van Amerika's zwarte minderheid, hadden aangedaan. In de laatste jaren van zijn leven werd King illegaal afgeluisterd, en honderdduizenden Amerikanen met hem. Bij de FBI stond de zwarte predikant bekend als de 'gevaarlijkste en effectiefste negerleider in het land'. De dienst had zichzelf beloofd King 'van zijn voetstuk te stoten'. De regering trachtte zijn huwelijk kapot te maken en King zelf door chantage tot zelfmoord te bewegen. Kings zaak was volgens Gore een van de stimulansen voor het Congres geweest om afluisteren aan regels te binden. Het resultaat was de Foreign Intelligence and Surveillance Act die rechterlijke volmacht eist. Deze wet, al bijna dertig jaar van kracht, wordt door de tegenwoordige regering sinds een viertal jaren bewust geschonden.

Ongelooflijk genoeg, meent Gore, ontkent niemand in de regering dat de bestaande wetten 'de mate van surveillance' van het moment niet toelaten, maar zij stelt dat zij impliciet daartoe gemachtigd werd toen het Congres het gebruik van geweld goedkeurde tegen hen die 'ons op 11 september hadden aangevallen'.

Maar er is meer dan illegaal afluisteren van Amerikaanse staatsburgers alleen. De president, zegt Gore, heeft zichzelf het recht toegekend iedere Amerikaan te arresteren en gevangen te zetten van wie hij meent dat deze een gevaar voor de natie betekent, en deze persoon beroep op een advocaat te onthouden. Amerikaanse burgers kunnen buiten de rechterlijke macht om, zonder dat zij op de hoogte worden gebracht van het hun ten laste gelegde en zonder dat hun familie wordt ingelicht, voor de rest van hun leven worden vastgezet. Ten slotte kunnen personen in Amerikaanse bewaring worden blootgesteld aan manieren van mishandeling 'die duidelijk als foltering' kunnen worden aangemerkt en 'die zijn gedocumenteerd in Amerikaanse instellingen verspreid over verschillende landen rond de wereld'.

Nu het evenwicht tussen de machten verbroken is, de wetgevende en de rechterlijke macht uitgeschakeld dan wel verlamd, doet Gore een dramatisch beroep op 'We, the people' om de Constitutie te redden, het volk dat volgens de leer uiteindelijk bepaalt door wie het geregeerd wordt. Maar de media, die het volk bij zijn meningsvorming zouden kunnen helpen op een wijze waarvan de 'framers' zelfs niet konden dromen, worden beïnvloed door de spindoctors van de overheid en door de politiek-commerciële lobby's die ook dit jaar weer bepalen wie het volk zullen vertegenwoordigen. De aandacht voor Gores rede in de media was dan ook omgekeerd evenredig aan het belang ervan. Toch kan Gore in 2008 de daad bij het woord voegen en zich opnieuw kandidaatstellen voor het presidentschap.

J.H. Sampiemon is medewerker van NRC Handelsblad.