Geluk is een pakje Saroma

Co Woudsma Foto Mark Kohn Kohn, Mark

In 1997 debuteerde de Weesper dichter Co Woudsma met Viewmaster. De titel van die eerste bundel was en is emblematisch. Woudsma's gedichten zijn zoals die van de stereoscopische diakijker uit zijn jeugd: 'stralende berichten/ uit telkens twee verledens.' Dit geldt ook voor de verzen in zijn nieuwe bundel, Geluksinstructies.

Geluk is in het idioom van Woudsma een ambigu begrip. De grondtoon van zijn poëzie is niet die van een levensgenieter die slaagt in wat hij bereiken wil. Doorgaans botsen zijn ambities op principieel onvermogen of lethargie; maar het streven blijft onverminderd. Een kinderlijk streven. Wie het geluk bereiken wil moet volgens deze dichter onder meer Saroma met bananensmaak bereiden. Pas dan bereik je 'het judomeisje aller tijden,/ in wit katoen verpakt,/ een feestelijk zwart strikje om haar middel./ Vraag of jij haar open maken mag,/ vraag of zij je vragen wil of jij met haar wilt trouwen.'

De laatste regel is kenmerkend voor de schuchterheid van de personages in Geluksinstructies. Velen daarvan hebben zelfs iets van een schlemiel. Maar wat zij niet durven of kunnen of kunnen weerstaan durft de pen van Co Woudsma. Niet al zijn gedichten zijn op het scherp geschreven, maar daartegenover staan vlijmende verzen zoals 'Gang':

De oester leeft nog als je eet.

Zijn eigenlijke lijf is één

groot ingewand, raak je de rand

dan huivert het terug.

Een beet snijdt door zijn weke deel,

je slurpt het voelend vlees geheel,

zijn zoute leven neem je mee.

Dan sterft hij middenin je keel.

Het is niet meer dan een schetsmatige notitie, maar raak, want gezien, gevoeld en geproefd. Woudsma's poëzie is, hoe schijnbaar naïef ook, vooral een loflied op de zintuigen. Precieuze verschrikking krijgt daarin evenveel ruimte als het zinnelijk genot van de bijna-jongenskont en het haar van graan van een broodverkoopster.

Bij eerste lezing treft vooral de laconieke toon, maar de herlezer ontdekt hoe zorgvuldig hier is geformuleerd. Neem het gedicht 'Rotonde'. Woudsma beschrijft die als een 'Groen oog in de kalme storm van het verkeer,/ leeg middelpunt'. Dan volgen vier sensitieve terzinen (“Het is een koude dag met zonnebloemen/ wind pakt mij bij de nek'), waarna de dichter lucide, zij het met een zweem van ontgoocheling afsluit met:

Dit is een volmaakte plek om niemand te ontmoeten,

zelfs niet het meisje met een sluier voor haarmond,

o willekeurig wie. Alles verdwijnt weer. Uit beeld

neemt iedereen zijn eigen leven mee.

In het eerste gedicht van Geluksinstructies vertelt Midas Wolf hoe hij met volle maag de leegte van een wereld zonder biggetjes ervaart. 'De botten liggen op de grond./ De grutjes rusten in de kast.' Dat wordt light verse, denk je dan als lezer. Lichtvoetigheid is Woudsma inderdaad niet vreemd, maar steeds weer neuriet een schroomvallig pessimisme in zijn verzen mee. Die nuchtere zwartgalligheid en het kinderlijk verbaasde blikveld maken Woudsma's poëzie zo onvervreemdbaar eigen als ze is.

Co Woudsma: Geluksinstructies. De Bezige Bij, 59 blz. euro 16,50

    • Arie van den Berg