Een wankel drijfgeval

Er worden aardige anekdotes verteld over de Russische dichter Fjodor Tjoettsjev (1803-1873). Dat hij niet zo veel deed, bijvoorbeeld. 'Mon mari est très pressé à ne rien faire', merkte een van zijn vrouwen eens op: mijn man heeft het erg druk met nietsdoen. Zijn naam is ook bijzonder. Je moet niet Toetsjef zeggen, of Tjoetsef, of Tie-joetsjef, maar Tuutsjef, met een lange u. Zijn noem doet 'wat de klank betreft nog het meest aan het tsjilpen van een vogel denken', merkt vertaler Frans-Joseph van Agt op in zijn nawoord bij Laatste liefde, een bloemlezing uit de poëzie van Tjoettsjev.

A Kashmiri man rows his boat on the Dal Lake on a cold and foggy morning in Srinagar December 18, 2005. At least 27 people have died due to the bitterly cold weather that has hit northern India in the past week, officials said. REUTERS/Danish Ismail REUTERS

Mooi is ook het verhaal over het ontstaan van zijn gedichten. Tjoettsjev schreef ze onderweg, in een koets, of tijdens een vergadering. Hij stond tamelijk onverschillig tegenover zijn werk. Hij kwam eens een keer thuis van een wandeling in de regen. Toen zijn dochters hem uit zijn natte jas hielpen, zei hij: 'J'ai fait quelques rimes.' Daarop dicteerde hij de tekst van “Mensentranen', dat later een van de bekendste gedichten uit de Russische literatuur zou worden. Sterk verhaal: dichten in de regen, al wandelend, zonder papier en dan bij thuiskomst even een kant en klaar vers uit de natte mouw schudden. De verbinding tussen regen en tranen is toepasselijk, en de schepping aus einem Guss ook. Het beroemde gedicht is ook te vinden in Laatste liefde, in de vertaling van Nina Targan Mouravi: 'Tranen, o tranen van menselijk lijden, / niet op de ochtend of avond bedacht, / vloeit gij, onzichtbare, vloeit gij, ontelbare, / vloeit gij, onhoorbare, vloeit gij, onstelpbare, - / net als de stromende regen, oneindig, / diep in het najaar bij donkere nacht.'

Ik heb het op verschillende manieren proberen te lezen, maar in alle gevallen bleef ik er toch schouderophalend bij zitten. Er zijn veel tranen, lees ik hier, meer in het bijzonder: mensentranen, als gevolg van menselijk lijden. Ik dacht niet dat het een heel nieuwe bewering is. Het is met de mensentranen een beetje als met regendruppels: ze blijven maar komen, op alle uren van de dag, en er is geen einde aan. Ook dat lijkt mij nog niet een verrassende mededeling. Misschien zit er iets onvergetelijks in de formulering, of in de cadans - maar dan moet dat in de vertaling verloren zijn gegaan. Eerlijk gezegd vind ik het aardigste ervan de wetenschap dat het zich in een regenbui aan de dichter heeft voorgedaan.

Ik denk bij Tjoettsjev wel vaker dat de omstandigheden interessanter zijn dan de poëzie zelf. Er was in zijn leven liefde en leed genoeg, en hartverscheurende episodes ook, maar daar worden zijn verzen nog niet beter van. 'Mij plagen weemoed en verlangen, / mijn ziel gaat steeds nog naar jou uit - / en nog tracht ik jouw beeld te vangen / in 't waas van de voorbije tijd'. Het is het begin van een van zijn vele liedjes van hunkering. Niets bijzonders, onpersoonlijk, voorspelbaar. En dit is uit een van zijn natuurverzen: 'De bergen, groots en onbereikbaar, / die ik dan urenlang aanschouw, - / wat schenken zij ons toch een rijkdom / aan ruisend water, koele dauw!' Zoiets zou ik oubollig noemen, maar toch is Tjoettsjev veel geprezen - om zijn natuurlyriek, zijn gedachtenpoëzie, zijn liefdesgedichten. Wat zien die anderen wat ik niet zie? Heb ik er misschien geen zintuig voor - voor die 19de-eeuwse romantiek met klassieke inslag? Of zou het aan de vertaling liggen?

Ik kreeg pas het gevoel door te dringen tot de ziel van deze dichter dankzij twee woorden in de vertaling. In een bespreking van een eerdere bundel Tjoettsjev-vertalingen van Van Agt stond Kees Verheul stil bij een gedicht waarin de aarde, omsloten door oceanen, wordt vergeleken met het aards bestaan dat door dromen is omsloten. Als de nacht valt, dan komt de oceaan zich melden aan het strand, zoals de droom zich in onze slaap meldt en ons probeert mee te krijgen. 'Het toverschip ligt klaar hier op de ree', zo vertaalde Van Agt. Mooi gezegd. Het is het toverschip dat elke nacht in ons hoofd klaarligt, en waarmee wij de dromenzee bezeilen. De vloed komt op, het schip draagt ons snel de duisternis in, de duisternis van een onmetelijke dromenzee. En zo gaat het er dan aan toe, op volle zee, in volle droom: 'Het hemelruim, in sterrenglorie brandend, / kijkt van omhoog in raadsels voor de mens, - / wij zijn op weg, omringd van alle kanten / door vuur en vlammen zonder grens'.

Het zou donker moeten zijn op zee, net als in onze slaap, maar de hemel is rondom met sterren bezaaid, stuk voor stuk zonnen van “vuur en vlammen zonder grens'. Het is een geheimzinnig schouwspel, een raadsel voor de kleine mens die ernaar kijkt - net zoals dromen voor de gemiddelde dromer een raadselachtig schouwspel vormen. Het ziet er nu misschien uit als een mooi droombeeld (boot, zee, nacht, sterren, glorie), maar er is niet veel voor nodig om het gevaar te zien dat hier op de loer ligt: een nachtmerrie van brand, raadsels, vuur en vlammen overal. Het is ook niet moeilijk om in te zien dat Tjoettsjev hiermee niet alleen een beeld van ons dromen heeft willen geven. Zo zijn wij in het leven op weg: als in een kleine wankele boot op volle zee, door gevaren omringd.

Tot zover is het nog een eenvoudig, en ook wel traditioneel gedicht. De frappe zit in het beeld van het grote, met sterren bezaaide hemelruim. Dat kijkt, zo begreep ik van Verheul, in het Russisch niet zozeer 'van omhoog' op ons neer, zoals Van Agt aanvankelijk vertaalde, maar 'uit de diepte' (of 'uit het diep', zoals de tekst nu luidt in Laatste liefde). Dat mag vreemd lijken, maar het ging Tjoettsjev om de weerspiegeling van de ruimte in het zeewater. De mens op de boot bevindt zich zo niet alleen onder allerlei ontzaglijke vuren, maar ook erboven. Hij is er dus letterlijk 'van alle kanten' door omringd. Dat moet wel voelen alsof de vertrouwde grond onder zijn voeten is weggeslagen.

Door die wijziging en de bijbehorende uitleg zag ik voor het eerst iets moderns in de poëzie van Tjoettsjev, iets van schrik en verbijstering onder de romantische buitenkant. Dit ging niet meer om een lieflijk varend sterrendroombootje in brave 19de-eeuwse wateren, maar om een wankel drijfgeval in existentieel gevaar. Zo vertaalde Karel van het Reve het slot: “En wij drijven, door een laaiende afgrond / aan alle kanten omgeven'. Overdag menen we nog vaste grond onder de voeten te voelen, maar in onze dromen 's nachts zeilen wij rakelings langs afgrond en hellevuur. Laatste liefde. Tjoettsjev: dichter, denker, minnaar. Vertalingen en biografie: Frans-Joseph van Agt en Nina Targan Mouravi. Azazello, 360 blz. met cd. 33,50.

    • Guus Middag