Een halvezool in hazenvel

Debuten zijn het leukste. Nieuwe bundels van dichters die je kent, zijn zelfs als ze verrassen, in zekere zin voorspelbaar. Het eerdere werk vormt een kader. Als het nieuwe werk afwijkt van het eerdere werk, wordt het toch automatisch in het kader van het eerdere werk gelezen. Rob Schouten heeft ooit een keer, bij wijze van experiment, een recensie geschreven van een nieuwe bundel van een bekende dichter zonder de bundel open te slaan. Zijn recensie was volledig gebaseerd op alle informatie die hij had op grond van de eerdere bundels, de ontwikkeling die daarin valt te bespeuren, de biografie van de dichter, de omslag, titel en flaptekst. De recensie bleek totaal adekwaat.

Peggy Verzett Foto Roelant Fossen Fossen, Roelant

Als het wezen van de kunst is te verrassen in plaats van aan verwachtingen te voldoen, dan zijn debuten de meest wezenlijke kunst. Poëzie van debutanten klinkt op uit het niets, begint tegen ons te praten in een taal die we nog nooit eerder hebben gehoord en wij ontberen elke houvast. We moeten onze oren spitsen en opnieuw leren luisteren. Dat is leuk. Dat is belangrijk. Behalve dan dat het vaak tegenvalt natuurlijk. Dan heb je na een half gedicht al door dat het allemaal op een slappe manier lijkt op eerder werk van andere dichters die op hun beurt ook alweer lijken op slap werk van anderen. Dat is waarom poëzie soms zo vermoeiend is.

Prijken die buik van Peggy Verzett is het leukste en meest debutigste debuut dat ik in tijden in handen heb gehad. Ik begin te lezen en heb in eerste instantie geen flauw benul wat er aan de hand is. Het lijkt nergens op. Alle houvast ontbreekt. Als een dapper padvindertje in een onbekend bos vol rare bomen, zo moet de lezer zijn weg zoeken, fluitend op zoek naar een een open plek.

Hu maan Hu

het vuur brandt

lichterlaaie getuigd

Zo begint het en het padvindertje balt zijn knuistjes van jippie. Hij is nu al verdwaald. Het grote padvinden is begonnen. Was het altijd maar zo.

De bundel bestaat uit vijf cycli en vijf losse gedichten. De openingscyclus gaat over een 'prior'. In zekere zin is hij herkenbaar als de goedmoedige, dikbuikige representant van de clerus met een 'zwarte broek met witte koorden.' Hij 'rookt de pijp' en als hij lacht, lacht hij 'op het land / dat drie hectaren breed.' 'Hem overkwam het paaien / alles voor waar houden en van fauteuils afhangen.' We zien hem voor ons. Maar de cyclus is geen portret. Daarvoor zijn de gedichten te centrifugaal en te veelstemmig. Ik krijg het vermoeden dat het in zekere zin gaat over een joviaal potsierlijke levenshouding die natuurlijk is en in contrast staat met de beroepshalve kunstmatige manier van kijken en denken van de ikfiguur. In het slotgedicht van de cyclus heeft de ikfiguur een 'bomenrij gedirigeerd' in een poging om de natuur in kunst te vangen.

De tweede cyclus heeft net zo'n soort mysterieuze centrale protagonist als de prior: Grote Haas heet hij nu. Ook hij staat op een bepaalde manier lustig en vanzelfsprekend in het leven: “Grote Haas zag alles rooskleurig in'. Maar onheil ligt op de loer: 'maanmeertje / met het ovale wak / en Grote Haas die / daar zat op het dunne ijs / met zijn hellend vlak'. En plotseling onderbreekt de dichter zichzelf:

ho meisje

ode aan jou meisje

meisje van ver en meer

glansgek oog en bel

twee hazen rennen niet

door een hodeldebodelhek

en zullen weer schoten vangen

Zie het meisje dat van verre komt en steeds meer wil. Zie het meisje dat zo mooi is dat ze lijkt op een meer, het maanmeertje wellicht. Zie het meisje van Vermeer met haar beroemde oorbel. En wanneer kun je zeggen dat een haas 'schoten vangt', als hagel in zijn flanken schiet of als hij liefdevol op schoot genomen wordt? En wat is beter, op het dunne ijs en het hellende vlak te blijven van het leven of de duurzaamheid te zoeken van oden en portretten in olieverf? Het zijn vragen die in deze gedichten niet worden beantwoord. Daar zijn het gedichten voor.

En zo blijft de poëzie van dit debuut telkens ontglippen. Er zijn thema's die af en toe opdoemen, zoals de verhouding tussen natuur en kunst (“bomen bomen / mooie improvisaties'), echt en nep (“locus deze lucht had Laurel mooi gevonden / bolle blauwe lucht waarin meeuwen af en aan // ik zie een beetje spel in de opzet'), maar op een vaardige manier blijft de dichter alle houvast uit handen slaan. 'OEF de dingbouw is groot'. Maar het allerbeste aan dit debuut is dat het een echt debuut is, gezongen in een gloednieuwe taal die nergens op lijkt en die we helemaal van voren af aan moeten leren verstaan: 'schrezen / in de wereld waar halvezool haverbrood en hazevel // schrezen / in het drommelend heelal'. Ik weet niet wat schrezen is, maar als ik dit lees, wil ik ook schrezen. Daar doen we het voor.

Peggy Verzett: Prijken die buik. Van Oorschot, 38 blz. euro 12,50

    • Ilja Leonard Pfeijffer