De Portobello Methode

Mannelijke lezers kunnen opgelucht ademhalen: Marilyn French, grande dame van het literaire feminisme, heeft het niet meer op hen gemunt. De nu 76-jarige French, die bestsellers als The Women's Room (1977) en Her Mother's Daughter (1987) op haar naam heeft staan, laat zich in haar nieuwe roman van een mildere kant zien.

Marilyn French Foto Hester Doove

Er komen in Kinderen van de liefde wel weer een paar lompe, luie, dominante mannen voorbij, maar er zijn ook goeiige en behulpzame mannen, en behalve wijze en sterke zijn er ook achterbakse en oppervlakkige vrouwen. Een schematische indeling naar sekse hanteert French niet langer. Dat zet haar onlangs in een interview met Opzij geventileerde theorie dat er een anti-feministisch complot schuilt achter de onwil van Amerikaanse uitgevers om haar werk nog langer te publiceren (Kinderen van de liefde verschijnt vooralsnog alleen in Nederland) in een ander daglicht: als de uitgevers inderdaad, zoals French zegt, 'geen feministische shit meer willen horen“, dan hebben ze haar laatste manuscript niet gelezen.

Kinderen van de liefde wordt wel weer bevolkt door archetypen. Het boek is een ode aan de generatie Amerikanen die opgroeide in de jaren zestig en die begin jaren zeventig de voor hun verdere leven cruciale keuzes maakte.

Vertelster is Jess, dochter van een kunstschilder en een literatuurdocente, die in haar puberteit het huwelijk van haar ouders volgens klassiek-feministisch patroon ziet stranden: vader eist dat het gezin zich ondergeschikt maakt aan zijn artistieke ambities, moeder weigert haar eigen, zwaar bevochten academische loopbaan voor hem op te geven.

De scheiding van haar ouders zal Jess tot ver in haar volwassenheid blijven bezighouden, leert de rest van het boek, maar op het moment dat die zich voltrekt zit ze nog met haar hoofd in de wolken - in meerdere betekenissen van het woord.

French - zelf uit 1929, dus van de generatie van Jess' ouders - wil met Kinderen van de liefde aantonen dat de hippies werkelijk het beste voor hadden met de wereld. Hebzucht of racisme was hun vreemd; hun drugsgebruik was onschuldig; het dienst weigeren van de jongens ging niet zonder gewetenswroeging. Onnozelheid, dat is het ergste verwijt dat je deze jonkies kunt maken.

Op de universiteit krijgt Jess haar eerste harde levenslessen: noch haar docenten noch de lesbische praatgroep waar ze zich uit solidariteitsgevoel bij aan wil sluiten blijken gecharmeerd van haar vrije manier van denken. Nadat ze door de lesbiennes voor “campuspomp' is uitgemaakt en ze van een kwaadaardige professor een één heeft gekregen voor een bijbelwerkstuk vanuit vrouwelijk perspectief, reist ze verslagen terug naar het huis van haar moeder. Ze wordt een 'drop out', net als - alweer - velen uit haar generatie.

Via een oude schoolvriend komt Jess vervolgens in een commune terecht, en dan breekt een van de leukste delen van het boek aan.

French is goed in het beschrijven van groepsgedrag, en in een commune worden de idealen en wetten waarnaar geleefd dient te worden zo openlijk uitgesproken dat de leden zich vanzelf meer als archetypen gaan gedragen. De leider, de sluwe meeloper, het goeiige werkpaard, de dweepzieke versierster - French zet ze met grove streken neer, maar dat is genoeg voor vermakelijke tafeldiscussies over wie wat betaalt en wie met wie naar bed mag. Het loopt mis, natuurlijk.

In stilistisch opzicht houdt French een ferme greep op haar verhaal. Alles wordt beheerst en rustig opgeschreven, met als enige verandering dat Jess geleidelijk aan minder als een puber (,,Het was echt te gek“) en meer als een volwassene gaat denken en praten. French heeft echter een andere, hinderlijke zwakte: ze is verslaafd aan feiten. Zolang het over mensen en hun gesprekken gaat, weet ze haar neiging tot al te volledige research nog binnen de perken te houden, maar op tweederde van het boek vindt Jess haar roeping als kok, en dan gaat het mis. Pagina's en pagina's met recepten, groenten- en kruidenweetjes, tuinderstechnieken en landbouwmethoden geeft French haar lezer te verstouwen, om hem zo voor eens en voor altijd van de merites van eerlijk handwerk en organische tuinbouw te overtuigen. Een nobel streven, en de hippie-erfenis waardig, maar om te lezen is het taai en saai. Zo maakt Philo, paddestoelenkweker en de man die Jess' grote liefde zal blijken, haar bij hun eerste ontmoeting het hof met zinnen als: ,,Dit zijn portobello's en kastanjechampignons. Die groeien op compost en aarde. Ik maak de compost zelf van paardenmest en stro.“

Voor Jess werkt dit kennelijk: ze trouwt met Philo, en krijgt met hem een kind.

Marilyn French: Kinderen van de liefde. Uit het Engels vertaald door Auke Leistra en Atty Mensinga. Meulenhoff, 400 blz. euro 25,-

    • Sandra Heerma van Voss