De geschiedenis, dat zijn we zelf

De Franse denker Raymond Aron was gefascineerd door “l'histoire se faisant', de geschiedenis die vandaag aan ons voorbij trekt. Als journalist was hij op zijn best, zo blijkt uit een bundeling van zijn laatste artikelen.

Raymond Aron met de Amerikaanse minister Henry Kissinger, 1983 FOTO AFP Picture dated 17 June 1983 of French philosopher Raymond Aron (R) during a debate wit US secretary of State Henry Kissinger. N/B B/W AFP

Was de ayatollah Khomeiny een godsdienstfanaticus of een vredesapostel? Het is nauwelijks meer voorstelbaar, maar toen de Iraanse schriftgeleerde in de herfst van 1978 furore maakte als aanvoerder van een opstand tegen de sjah, dachten velen het laatste. De Amerikaanse ambassadeur in Teheran liet zijn president Carter weten dat deze bejaarde geestelijke 'een soort Gandhi' was. Ook buiten Washington heerste grote verwarring over het optreden van Khomeiny.

Juist in dat soort onzekere tijden was Raymond Aron (1905-1983) op zijn best. Op 18 september 1978 stelde hij vast dat Khomeiny in zijn preken de pro-westerse politiek van de sjah aanviel en zich vooral tegen de hervormingen keerde die tot een secularisatie van de Iraanse samenleving zouden leiden. Het ging hem kortom om de macht van de sjiitische kerk. Een geestelijke die leiding geeft aan betogende massa's, dat was voor Europeanen en Amerikanen een vervreemdend verschijnsel, zeker in een periode die nog werd beheerst door de Koude Oorlog tussen het democratische Westen en het communistische Oosten. Aron onderkende direct het karakter en het belang van dit nieuwe fenomeen. Toen Khomeiny een jaar later het Amerikaanse ambassadepersoneel in Teheran liet gijzelen, stelde Aron vast dat het islamitische fundamentalisme zich ontwikkelde tot schutspatroon van een anti-Westers terrorisme.

Aron schreef zonder onderbreking in de periode 1940-1983 tenminste eenmaal per week (lange tijd vaker) een politiek commentaar. In de oorlogsjaren deed hij dat als hoofdredacteur van La France libre, het blad van de vrije Fransen die onder leiding van generaal De Gaulle naar Londen waren gevlucht. Deze journalistieke functie was voor Aron niet vanzelfsprekend. In de jaren dertig had hij al een academische reputatie opgebouwd door drie boeken te publiceren over geschiedfilosofische onderwerpen. Een benoeming tot lector aan de universiteit van Toulouse was het resultaat.

Toch keerde hij eind 1944, na de bevrijding van Frankrijk, niet terug naar het academische leven. De passie voor de actualiteit en de journalistiek had hem volledig in haar greep. Na korte tijd voor het blad Combat te hebben geschreven, werd hij vanaf 1947 dertig jaar lang vaste commentator van het dagblad Le Figaro. Aron bleef dit werk voortzetten nadat hij in 1955 alsnog werd benoemd tot hoogleraar in de sociologie, eerst aan de Sorbonne, later aan het Collège de France. In 1977 stapte hij, na een conflict met de leiding van Le Figaro, als commentator over naar L'Express.

De driehonderd artikelen die hij gedurende de laatste zes jaar van zijn leven voor dit weekblad schreef, zijn nu gebundeld in De Giscard à Mitterrand - een misleidende titel, want de meeste stukken gaan niet over Franse maar over internationaal-politieke onderwerpen. Al eerder verschenen vier dundrukdelen met artikelen uit La France libre en Le Figaro. Met het nu uitgekomen De Giscard à Mitterrand is een belangrijk deel van zijn journalistieke werk in 6.500 pagina's druk gebundeld. Van een complete verzameling is nog geen sprake: de stukken uit Combat ontbreken en van de commentaren in Le Figaro zijn alleen de artikelen over internationale politiek gebundeld.

In 1977, toen Raymond Aron in L'Express begon te schrijven, was de Koude Oorlog in een fase beland die achteraf bezien een surrealistische indruk maakt. De Sovjet-Unie leek aan de winnende hand en de Verenigde Staten waren op een naoorlogs dieptepunt beland. De nederlaag in Vietnam, de Watergate-affaire, de oliecrisis en het nieuwe fenomeen van de 'stagflatie' (combinatie van economische recessie en hoge inflatie) zorgden voor een malaisestemming. Die werd nog versterkt doordat de nieuw aangetreden Amerikaanse president Carter van de ene misser naar de volgende blunder strompelde. De Sovjet-Unie profiteerde door ongestraft haar invloed uit te breiden in Afrika en Azië. En die expansie werd ondersteund door een groeiend militair overwicht op de Verenigde Staten.

Amerika was eind jaren zeventig volgens Aron een natie in verval. Koerste het in de Koude Oorlog op een nederlaag af tegen de Sovjet-Unie? Die uitkomst, aldus Aron, was mogelijk, maar stond geenszins vast. Achter de militaire kracht van de Sovjet-Unie ging een economisch en ideologisch wrak schuil. De opkomende revolutie in de elektronica en informatica dreigde de Sovjet-economie op nog grotere afstand te zetten. Het was heel goed mogelijk, zo schreef Aron al in november 1977, dat een nieuwe generatie Sovjet-leiders de vraag zou stellen: waar dient al die bewapening toe? Moeten we het roer niet radicaal omgooien? “Van hun antwoord', aldus Aron, 'hangt het lot van de Sovjet-Unie en onszelf af'.

Die koers zouden de toekomstige Sovjet-leiders volgens hem echter alleen inslaan als het gedrag van Amerika en zijn West-Europese bondgenoten hun daartoe dwong. In de West-Europeanen had hij weinig vertrouwen. De verschuiving in de militaire krachtsverhoudingen ten gunste van de Sovjet-Unie had bij deze bondgenoten grote twijfel gezaaid over de bereidheid van Amerika om West-Europa te blijven beschermen. Werden de risico's voor Washington niet te groot?

Die onzekerheid leidde tot West-Europese aanpassing aan de wensen van Moskou. Voor het Kremlin was dit gedrag volgens Aron een aanmoediging op de oude voet door te gaan. De Bondsrepubliek en Frankrijk speelden de rol van 'nuttige idioten' door het Witte Huis te bezweren geen conflict uit te lokken over de schending van mensenrechten in het Sovjetrijk en gematigd te reageren op de Sovjet-inval in Afghanistan (1979) en de onderdrukking van het vrije vakverbond Solidariteit in Polen (1981).

In het laatste jaar kregen de Verenigde Staten echter met Ronald Reagan een president die besloot de West-Europese verlangens te negeren en de 'détente' te vervangen door een politiek van ideologische confrontatie en verhoging van de Amerikaanse defensie-uitgaven. Vooral dat laatste initiatief werd door Aron geprezen. Zijn artikelen lezend, ontkom je niet aan de vraag: zou er zonder het optreden van Reagan ooit onder leiding van Gorbatsjov een radicale hervormingskoers zijn ingeslagen die door Aron al in 1977 als een mogelijkheid was geopperd?

In zijn productieve bestaan schreef Aron ook nog eens ruim dertig boeken, deels wetenschappelijke werken en deels analyses van actueel-politieke onderwerpen, met Le Grand Schisme (1948) en L'Opium des intellectuels (1955) als bekendste. Het proefschrift van Paul van Velthoven, Het verantwoorde engagement, is een geslaagde inleiding tot het academische en essayistische werk van Aron. Dat is een unieke prestatie, want zelfs in Frankrijk is een dergelijke algemene introductie tot nu toe niet verschenen. In glashelder proza maakt Van Velthoven, die lange tijd chef opinie van de Haagsche Courant was, de lezer wegwijs in een oeuvre dat vaak wijdlopig en niet altijd even toegankelijk is. Vooral in zijn eerste hoofdstuk over de geschiedfilosofie van Aron toont Van Velthoven zich een begaafd didacticus.

Kennis van de geschiedenis is volgens de Franse auteur altijd concreet en dus beperkt. Het open einde van de geschiedenis vatte Aron op als een uitnodiging tot betrokkenheid bij de actualiteit. Dat engagement maakte hem bijna vijftig jaar lang tot een geharnaste verdediger van het democratische systeem. De Europese democratieën bleken zowel vóór als na de Tweede Wereldoorlog breekbaar. Hij probeerde een bijdrage te leveren aan hun weerbaarheid door wijdverbreide illusies te bestrijden over het karakter van de nationaal-socialistische en communistische tegenstander.

De belangrijkste verdienste van Aron, zo schrijft Van Velthoven terecht, ligt in de standpunten die hij gedurende een halve eeuw innam. In Het verantwoorde engagement probeert Van Velthoven naar eigen zeggen deze betrokkenheid in kaart te brengen, maar in deze opzet is hij slechts ten dele geslaagd. Hij bespreekt weliswaar een deel van het politiek-essayistische werk, maar besteedt toch vooral veel aandacht aan de academische publicaties van Aron over marxisme, liberalisme, de industriële samenleving en de internationale betrekkingen. Het belangrijkste kenmerk van dit wetenschappelijke oeuvre is echter dat de auteur zich begeeft in theoretische beschouwingen die in hun uitvoerigheid vaak een plichtmatig karakter hebben. De actualiteit speelt geen of hoogstens een illustrerende nevenrol.

Aron was gefascineerd door 'l'histoire se faisant': de geschiedenis die vandaag aan ons voorbij trekt en waarvan we zelf onderdeel zijn. Sinds zijn terugkeer uit Londen lag zijn hart veel meer bij zijn commentaren op die actualiteit dan bij de wetenschappelijke theorievorming. Om het krasser uit te drukken: als journalist was Aron beter dan als man van de wetenschap. Zijn academische werk schreef hij omdat het, sinds zijn benoeming tot hoogleraar in 1955, moest. Aan de journalistiek daarentegen was hij verslingerd. Het is jammer dat Van Velthoven in zijn overzicht dit deel van Arons engagement vrijwel onbesproken laat.

De krantenstukken van Aron, zo maakt De Giscard à Mitterrand duidelijk, zijn ook decennia later nog steeds fascinerende lectuur. Omdat hij zo vaak 'gelijk' had? Die vaak gehoorde verklaring is te simpel. Aron was briljant in zijn prompte analyses van militaire, economische en sociaal-culturele verhoudingen. Die taxeerde hij heet van naald meestal al beter dan menig geschiedschrijver achteraf. Maar het mooie van zijn stukken is bovendien dat je altijd de toevalligheid van de geschiedenis proeft. Hij perkt het krachtenveld af waarbinnen het menselijk drama van de geschiedenis zich afspeelt. Maar hij beklemtoont dat dit schouwspel ook binnen die grenzen nog vele kanten op kan. Telkens weer benoemt Aron in zijn stukken de toekomstige mogelijkheden van een bepaald moment. Zo doet hij je achteraf beseffen dat de mogelijkheid die later werkelijkheid is geworden, geen noodzakelijkheid was. Vooral daarom is zijn journalistieke werk nog altijd de moeite waard: het heeft de kwaliteit van goede geschiedschrijving.

Raymond Aron: De Giscard à Mitterrand 1977-1983. Editions de Fallois, 895 blz. 26,-

Paul van Velthoven: Het verantwoorde engagement. Filosofie en politiek bij Raymond Aron. Aspekt, 261 blz. 24,95

    • Ronald Havenaar