Bij de stenen brug

De boom, het pad, het huis, de wolkenlucht,

al die dingen waren hier, toen,

ze zijn hier nog, er is geen weg vooruit,

noch terug. Het licht overspoelt

de brug en de boom in het midden en alles

is anders dan we denken en alles is hetzelfde.

De stenen brug

Mensen zijn veegjes verf, zij koken

gaar in eigen sop en roeren in de drab

die verf is, rauwe omber, zwarte gal,

ze hebben geen tijd, ze hebben niets

te willen, de wind steekt op en

houdt meteen de adem in, de lucht trekt dicht,

geen einde komt aan het doodstille

gillen van de boom.

De boom staat perplex.

De boom is een explosie

van verbazing. Zoveel donker

dat om licht smeekt, licht

dat schreeuwt om duisternis,

het kan niet zonder. Hoe dieper

het donker, hoe feller het licht

en de tijd kent geen genade.