Babel aan de Vecht

Toen deze week bekend werd dat Utrecht misschien de hoogste toren van Nederland zal krijgen, moest ik daar toevallig zijn. Uit welke richting je ook komt, je weet dat je Utrecht nadert. Dat komt door de Domtoren, 112 meter hoog en gebouwd tussen 1321 en 1382. Al bijna zes en een kwart eeuw zijn de Hollanders eraan gewend dat dit het hoogste gebouw in de wijde omgeving is. Geen wonder dat het bij de Utrechtse burgerij er niet meteen in wil, dat er iets zou komen dat meer dan tweemaal zo hoog, namelijk 262 meter zou worden. Met kantoren, woningen, restaurants, een hotel, winkelen, parkeren. Van vijftig kilometer nog te zien. De strekking van de straatinterviews op de televisie was overwegend een “van mij hoeft het niet'.

Nederland en hoogbouw: als het niet over kerktorens ging of een Rotterdams plan was, is het meestal een moeilijke verhouding geweest. Onze steden zijn markant door hun torens. Er zijn getekende Amsterdamse stadsgezichten van Rembrandt die tot op de dag van vandaag nauwkeurig herkenbaar zijn. Ga op de Sarphatibrug over de Amstel staan, en als je een paar latere toevoegingen wegdenkt - het Amstel Hotel, de Stopera - zie je wat hij toen heeft gezien. Of om een ander voorbeeld te noemen: Zutphen, een typische torenstad. Groningen, door W.F.Hermans vergeleken met een omgekeerde punaise. De punt is de Martinitoren. Jacques Brel zingt in zijn Le plat pays over de kerktorens als uniques montagnes. Onze hooggebouwde vestingen zijn schaars; we hebben wallen. De hoge stekels van de kerktorens bewijzen de vroomheid van het voorgeslacht.

Het eerste Nederlandse gebouw dat “wolkenkrabber' werd genoemd, staat in Rotterdam. Het Witte Huis, gebouwd in 1898, ontworpen door de architect Willem Molenbroek, die zich had laten inspireren door het Netherland Hotel in New York. Dat is lang geleden afgebroken. Met zijn tien verdiepingen, twee flinke herenhuizen op elkaar, kun je het Witte Huis niet hoog noemen, maar in zijn soort is het wel mooi. Toen het klaar was, werd het als een wereldwonder beschouwd en de Rotterdammers verzekerden elkaar dat ze het hoogste gebouw van Europa hadden.

Na de Eerste Wereldoorlog kwam Amsterdam met de wolkenkrabber aan het Victorieplein. Rotterdam kreeg er nog een bij, het Electriciteitsgebouw aan de Rochussenstraat. Daarmee had je het wel gehad.

De beste verklaring van en bewondering voor de wolkenkrabber vind ik het essay van Rem Koolhaas, Delirious New York, A Retroactive Manifesto for Manhattan, verschenen in 1978. De oorsprong van de high-rise ligt in de schaarste aan grond, gepaard aan de soliditeit van de bodem. Manhattan, waar de moderne wolkenkrabber is ontstaan, ligt tussen twee rivieren aan zee, en de bodem bestaat uit rots. Toen de stad zich aan het einde van de negentiende eeuw onweerstaanbaar begon uit te breiden, was er maar één oplossing: de hoogte in. De uitvinding van de veiligheidslift, die het onmogelijk maakte dat de kooi in de schacht neerstortte, deed de rest. En zo is de grootste metropool ter wereld ontstaan.

Dan gaan oneigenlijke factoren een rol spelen. Geïnspireerd door het wereldprestige van New York wilden andere grote steden ook een wolkenkrabber hebben. Dat gebeurde. Vaak was het een geslaagd project, wat betekende dat er meer bedrijvigheid werd aangetrokken. De concurrentie wilde ook wolkenkrabbers, kreeg die en daarmee was de volgende fase bereikt: er ontstond een skyline. Nog meer New York, nog meer prestige. Iedere stad ter wereld die nu als wereldstad wil meetellen, heeft een skyline nodig. Is het zo ver, dan krijgt zo'n stad een bijnaam: Manhattan aan de... noem naar op: Maas, Amstel, Theems, Schelde.

De vraag is nu of de oplossing van de wolkenkrabber altijd doelmatig is. Form follows function, is de aforistische wijsheid van de Amerikaanse architect Louis Sullivan. Form follows finance, heeft de architectuurhistorica Carol Willis eraan toegevoegd. Het bouwen van wolkenkrabbers heeft zijn grenswaarden. Afgezien van hun imponerende kwaliteiten, moeten ze functioneel zin hebben; en door het geheel van hun omgeving visueel en sociaal worden geaccepteerd. Dat hoeft niet onmiddellijk, maar de groei moet erin zitten.

In Amsterdam zou in 1990 worden begonnen met de bouw van de Larmagtoren, bij Sloterdijk. Waarom? Op die slappe grond, waar ruimte genoeg was voor allerlei magnifieke laagbouw? Milieuorganisaties en behoeders van het stadsgezicht begonnen zich te verzetten, er werden brochures geschreven, men maakte schetsen waarop te zien was hoe het stadsgezicht zou worden bedorven. Zeven jaar heeft de strijd geduurd. Toen werd het project afgeblazen. Intussen was in de omgeving van het Rotterdamse Centraal Station een agglomeraatje van hoogbouw verrezen dat zich zijn eigen indrukwekkendheid en functionaliteit had verworven. In Amsterdam staat de Rembrandttoren als een eenzame reus bij het Amstelstation. Een mooie afsluiting van het perspectief van de Wibautstraat. Maar grootstedelijk? Nee. De omgeving blijft een wat tobberig aanzien houden. Holland is nog altijd laagland met lage steden. Wees er zuinig op.

    • H.J.A. Hofland