Werklozen 'plusjobben' naar echte baan

Bijna een derde van alle Zweedse werklozen neemt deel aan een of ander arbeidsmarktprogramma. Arbeidsbureau en opleidingscentrum moeten resultaten laten zien.

Zwijgzame jongemannen in blauwe overalls verdwijnen achter klapdeuren, sommigen met zwarte maskers op het voorhoofd. Die moeten hen beschermen tegen het felle licht dat door de raampjes zichtbaar is. Hier, in de kelder van het opleidingscentrum Lernia, leren werklozen in dertig weken lassen.

Een voltooide lascursus is praktisch een garantie op een baan, legt Christer Hållstrand uit. Jongeren in de grote stad zijn weinig bekend met lassen, weinigen kiezen daarom voor dit vak. Vandaar dat het arbeidsbureau jaarlijks een flink aantal lassers laat opleiden in het centrum waar Hållstrand de afdeling techniek leidt.

Succes gegarandeerd - dat geldt ook voor de relatie tussen Lernia en het arbeidsbureau: 90 dagen na afronding van de cursus moet ten minste 80 procent van de cursisten een baan hebben. 'Als dat niet lukt, hebben we een probleem', zegt Hållstrand. Het arbeidsbureau kan zijn cursussen immers ook ergens anders inkopen.

Lassen is niet het enige waar jongeren in Stockholm niet zo snel aan denken als ze zonder werk zitten. 'Je moeder werkt hier niet, je moet zelf opruimen', staat er in koeienletters op borden in de laskelder. 'Op tijd komen, opruimen - daar moeten we veel aandacht aan besteden', zegt Hålstrand.

Activerend arbeidsmarktbeleid vormt de kern van het Zweedse model, al tientallen jaren. Maar tijdens de diepe crisis aan het begin van de jaren negentig liep de werkloosheid in dubbele cijfers. Opleiden hielp niet meer, er was gewoon niet genoeg werk.

Toch is het principe niet verlaten. 'Wel zijn we kritischer geworden', aldus Björn Sergel, directeur van AMS, het orgaan dat het arbeidsmarktbeleid coördineert. AMS bestiert 21 programma's, van stageplaatsen tot trainingen, van loonkostensubsidies tot starterspremies. Er doen 130.000 mensen aan mee, drie procent van de beroepsbevolking. 'Het meest succesvol is de steun aan mensen die een eigen bedrijf beginnen. Ze kunnen een half jaar lang met behoud van hun uitkering aan de slag. Een jaar later heeft 80 à 85 procent geen uitkering meer.'

Relatief nieuw - ingevoerd in 2000 - is de 'activiteitsgarantie': een werkloze moet voltijds beschikbaar zijn voor allerlei klussen. 'Er zijn drie manieren om daar uit te komen', zegt Sergel: 'een baan, een opleiding volgen, of stoppen; maar in dat geval stopt ook de uitkering.'

Raymond Hall, een opgewekte man met een spoortje Engels accent in zijn Zweeds, zat in deze regeling. Met drie anderen deed hij onderhoudswerk voor de gemeente Spånga-Tensta. De verplichting mee te doen had ook nadelen: 'Een was altijd dronken, een niet helemaal goed snik, een had gewoon geen zin om te werken.'

Hall wilde wél werken. Sinds enkele weken heeft hij op dezelfde plek een plusjobb, een soort Melkertbaan. 'Dit is toch meer een echte baan, met een salaris, ook al is het bedrag hetzelfde als mijn uitkering.' Hij en collega-plusjobber Seyfettin Balta doen nu samen meer dan de vier met behoud van uitkering.

Balta, net als Hall vijftiger, was drie jaar werkloos, ontslagen bij een reorganisatie. 'Via het arbeidsbureau heb ik cursussen gedaan, maar werk vinden bleef moeilijk. In al die tijd ben ik twee keer op gesprek uitgenodigd.'

Hun baas, chef technische dienst Marcello Alba, hoopt met de inzet van plusjobbers de kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren. Daarom is selectie van de deelnemers zo belangrijk, vindt hij. 'Ik wil alleen mensen die echt willen werken.'

Zo kwam Karina Signell binnen als schoonmaakster, hoewel ze niet voldeed aan de eis voor een plusjobb: ze was nog geen twee jaar werkloos. Maar de kleine, levenslustige vrouw van in de veertig wist haar arbeidsbemiddelaar te overtuigen.

De arbeidsbemiddelaars hebben veel handelingsvrijheid, legt AMS-directeur Sergel uit. Maar die vrijheid is niet vrijblijvend. Op zijn computer toont Sergel real time hoe alle 21 arbeidsmarktprogramma's scoren, per gemeente. 'Alle medewerkers van de arbeidsbureaus kunnen deze cijfers zien. Ze weten op elk moment of ze hun doelen halen of niet, en hoe ze scoren ten opzichte van vergelijkbare regio's. Daar maken we voortdurend gebruik van - niet door vanuit Stockholm te vertellen wat ze moeten doen, maar door hen in contact te brengen met collega's elders die wel succesvol zijn met een programma, zodat ze van elkaar leren.'

    • Dick van Eijk