Open de grenzen voor Poolse loodgieters

Twee jaar na de laatste uitbreiding van de EU blijkt dat de angst voor een massale komst van de 'Poolse loodgieters' overdreven was, betogen Marien Ferdinandusse en Mathijs Gerritsen.

Nederland moet binnenkort beslissen of de huidige migratiebeperkingen voor werknemers uit de acht nieuwe EU-landen moeten worden verlengd of niet. De periode dat het vrije verkeer van werknemers nog wordt beperkt, de overgangstermijn, kan per 1 mei met drie jaar worden uitgebreid.

Wij vinden dat Nederland de overgangstermijn niet moet verlengen, en vrij verkeer van werknemers uit Polen, Tsjechië, Hongarije, Slowakije, Slovenië en de Baltische Staten moet toestaan.

In de nationale discussies over de overgangstermijn speelde de verwachting dat inwoners uit de nieuwe lidstaten massaal naar de oude lidstaten zouden emigreren een belangrijke rol. De volksverhuizing zou gestimuleerd worden door het lage inkomensniveau en de hoge werkloosheid in de meeste nieuwe lidstaten. In Frankrijk werd de spreekwoordelijke 'Poolse loodgieter' zo bekend dat het Poolse toerismebureau hem in reclamecampagnes liet optreden.

De Tilburgse hoogleraar Openbare Financiën Harry Verbon verwachtte in het Financieele Dagblad van 21 november 2003 dat minimaal 500.000 Oost-Europeanen naar Nederland zouden komen wanneer Duitsland en Oostenrijk hun grenzen gesloten zouden houden.

In navolging van deze laatste twee landen besloten de meeste oude lidstaten net vóór de uitbreiding om hun migratierestricties te continueren, ondanks het feit dat eerdere uitbreidingen van de Europese Unie met armere landen als Spanje en Portugal niet hadden geleid tot grootschalige arbeidsmigratie naar de rijkere lidstaten. Alleen Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Zweden maakten geen gebruik van de overgangsperiode en stonden vrije arbeidsmigratie uit de nieuwe lidstaten toe.

De ervaring van deze drie landen zonder migratierestricties wijst erop dat de verwachting van grootscheepse migratie tussen Oost- en West-Europa overspannen was. Natuurlijk hebben Oost-Europeanen de afgelopen twee jaar gebruikgemaakt van de mogelijkheid om in deze drie landen te werken.

Zo werden tussen de uitbreiding op 1 mei 2004 en september 2005, 293.000 Oost-Europese werknemers in Groot-Brittannië geregistreerd, onder wie 110 loodgieters en 170.000 Polen. Een groot deel van deze immigranten kwam voor tijdelijk werk, en naar schatting woonde eenzesde deel al vóór de EU-uitbreiding in het Verenigd Koninkrijk. Het aantal mensen dat voor een periode van een jaar of langer kwam was veel kleiner: in 2004 naar schatting ongeveer 48.000 mensen - minder dan 10 procent van de totale immigratie in Groot-Brittannië in datzelfde jaar. Ierland trok verhoudingsgewijs meer immigranten uit de nieuwe lidstaten dan het Verenigd Koninkrijk, mede door de goed draaiende economie, en Zweden minder.

Overigens zijn deze relatief lage cijfers opwaarts vertekend, doordat de migratie in de periode net na de openstelling van de grenzen naar verwachting het grootst is. Daarnaast was de migratie naar deze drie landen hoger door de overgangstermijnen in de andere landen van de zogeheten EU-15, de 15 lidstaten van de Europese Unie van vóór de uitbreiding van mei 2004.

Ook de Nederlandse ervaring sinds de uitbreiding wijst niet op grootschalige immigratie. In Nederland handhaafde het kabinet de arbeidsmarkttoets voor werknemers uit de nieuwe lidstaten. Dat wil zeggen dat een werkgever moet aantonen dat de vacature niet kan worden vervuld door iemand uit de EU-15. Wel gold hierop een vrijstelling voor enkele sectoren, die kampten met een tekort aan arbeidskrachten, zoals de tuinbouw en slachterijen en vleesverwerkende industrie.

In 2004 kwamen 24.728 werknemers uit de nieuwe lidstaten naar Nederland, van wie 39 procent op basis van de vrijstellingsregeling. Voor 2005 zijn nog geen cijfers bekend van het aantal afgegeven werkvergunningen, maar het aantal vrijgestelde sectoren is teruggebracht tot twee kleine sectoren, de binnenvaart en de edelpelsdierenhouderij.

Ook in Nederland kwamen migranten uit de nieuwe lidstaten vooral voor tijdelijk werk, en betrof het aantal mensen dat voor een periode langer dan vier maanden immigreerde (6.000 in 2004) een klein deel van de totale immigratie (94.000). De immigratie uit de nieuwe lidstaten is uitgedrukt in arbeidsjaren dan ook kleiner dan het aantal personen: naar schatting 0,2 procent van het Nederlandse arbeidsvolume in 2004.

Een ander argument voor een restrictief migratiebeleid, mogelijke verdringing aan de onderkant van de arbeidsmarkt, overtuigt ook niet om de overgangsperiode te handhaven. Het kabinet noemde dit argument in zijn evaluatie van het migratiebeleid in 2005, en wees daarbij speciaal naar zijn extra inspanningen om Nederlandse werklozen aan de slag te helpen, in het bijzonder in de tuinbouw.

Afgezien van het feit dat de overgangstermijn Nederlandse werknemers slechts tijdelijk bescherming kan bieden tegen buitenlandse concurrentie, vallen de resultaten van deze extra inspanningen in het niet bij de vraag naar arbeid.

Het project 'seizoensarbeid' van het CWI en LTO Nederland hielp in 2004 minder dan 400 werklozen aan tijdelijk werk in de agrarische sector. In hetzelfde jaar kregen 5,500 werknemers uit de nieuwe lidstaten een werkvergunning in de tuinbouwsector onder de vrijstellingsregeling, en nog eens elfduizend een vergunning op basis van de arbeidsmarkttoets. In 2005 gold de vrijstellingsregeling niet meer voor de tuinbouw, maar ook met een restrictief migratiebeleid lukt het nauwelijks Nederlandse werklozen in te schakelen. In de eerste drie kwartalen van 2005 werden meer dan 23.000 vacatures voor seizoenswerk aangemeld, waarop 845 Nederlandse werkzoekenden met succes zijn bemiddeld. De rest wordt waarschijnlijk vervuld door, al dan niet legale, immigranten.

Vrij verkeer van werknemers uit de nieuwe lidstaten brengt daarnaast verschillende voordelen met zich mee, die door de overgangstermijn worden uitgesteld. De immigranten vullen met name (seizoens)functies op waarvoor moeilijk mensen te vinden zijn, en dragen zo bij aan de continuering van de bedrijfsvoering. Dit kan zorgen voor lagere consumentenprijzen en via de belastinginkomsten leveren de immigranten een positieve bijdrage aan de staatskas - in tegenstelling tot illegale immigranten.

Daarbij doen de migratierestricties afbreuk aan het Nederlandse imago in de nieuwe lidstaten, die op aandringen van de oude lidstaten vergaande hervormingen hebben ingevoerd in aanloop naar hun toetreding tot de Europese Unie. Pleidooien voor meer economische openstelling in Europa klinken krachtiger wanneer Nederland zelf volwaardig deelneemt aan de interne markt.

De ervaringen van de eerste twee jaar na de uitbreiding hebben geleerd dat de angst voor een massale komst van de 'Poolse loodgieters' overdreven was. Finland, Portugal en Spanje hebben aangekondigd dat zij hun overgangstermijn niet zullen verlengen. Nederland doet er verstandig aan dit goede voorbeeld te volgen.

Marien Ferdinandusse en Mathijs Gerritsen zijn verbonden aan de divisie monetair en economische beleid van De Nederlandsche Bank.

    • Marien Ferdinandusse Mathijs Gerritsen