Nationale plannen voor Europese doelen

Europa hervormt. Van Riga tot Lissabon klinken de woorden lastenverlichting, scholing, deregulering, concurrentie. Of er nu een linkse dan wel rechtse regering tussenzit, maakt eigenlijk weinig meer uit. Het eerste overzicht van 25 nationale hervormingsplannenlaat een Europa zien dat verrassend eensgezind is - althans op papier.

Nieuws! Europa is eensgezind. Weliswaar bestaat de Europese Unie uit 25 lidstaten met 25 verschillende regeringen, maar als het om de aanpak van de economische problemen gaat, zijn ze het opvallend eens met elkaar. Dat is althans het beeld dat oprijst uit de 25 nationale programma's om de economie zodanig te hervormen dat Europa de concurrentie met de Verenigde Staten en Azië aan kan gaan.

Voor het eerst heeft de Europese Commissie een oordeel gegeven over de inspanningen van de diverse landen. Uit de gisteren gepresenteerde rapportage blijkt dat er nauwelijks nog verschillen in opvatting bestaan over wat er moet gebeuren. Alle landen zijn het erover eens dat economisch herstel alleen kan bij een goed ondernemersklimaat, ruime aandacht voor onderzoek en ontwikkeling, voldoende geschoold arbeidsaanbod, een houdbare overheidsbegroting en het in acht nemen van milieunormen. Alleen ontbreekt het vaak nog aan de bijbehorende concrete maatregelen.

Voor de Europese Commissie is het al heel wat dat overeenstemming bestaat over de diagnose. De lidstaten weten wat ze moeten doen, het komt nu aan op de uitvoering, is de boodschap die het dagelijks bestuur van de Unie afgeeft.

Nu eens geen klaagverhaal uit Europa, maar een positief signaal, was het vaste voornemen op de Brusselse burelen van de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de Unie. In de aanloop naar hun jaarlijkse samenzijn om over de economie te praten, dienden de Europese regeringsleiders eens een keer niet geconfronteerd te worden met negatieve boodschappen.

Economie is voor een belangrijk deel psychologie, weet men ook in de Europese hoofdstad. De titel van het jaarrapport was zelfs nog aangepast. Tot in de allerlaatste concepten heette het stuk Tijd om te leveren, maar in de definitieve versie is het omgedoopt in het optimistischer klinkende Tijd voor een hogere versnelling.

Europa gaat dus opnieuw proberen sámen de economische problemen te lijf te gaan. 'Het afgelopen jaar gaf een beslissende verandering te zien in de Europese Unie met een nieuw momentum om te komen tot groei en banen', aldus direct al de eerste zin van het voorwoord van Commissievoorzitter Barroso. Het bewijs vindt hij in de nationale hervormingsprogramma's waarin de 25 lidstaten aangeven hoe zij willen bijdragen aan de bevordering van de groei en de werkgelegenheid. Het is voor het eerst dat de lidstaten van de Unie hun lijstjes met nationale plannen aan Brussel presenteren.

Nationale programma's om Europese doelstellingen te halen: deze paradoxaal klinkende aanpak is veelzeggend voor de manier waarop Europa opereert. Voorbij is de tijd van in Brussel opgestelde Europese blauwdrukken waar de lidstaten maar aan moesten voldoen. De referenda waarin Frankrijk en Nederland de Grondwet afwezen, hebben nog eens duidelijk gemaakt dat er voor Europa als bestuursorgaan, slechts een bescheiden rol is weggelegd.

Toen de Nederlandse oud-premier Wim Kok twee jaar geleden in een rapport voor de Europese Commissie de introductie van landenrapporten voorstelde, was de bedoeling dat deze zouden dienen voor het opstellen van een Europees scorebord. Daarvan zou kunnen worden afgelezen welke landen goed presteerden en welke slecht. Onder druk van de regeringsleiders heeft de Europese Commissie deze ambitie echter moeten laten varen.

Geen naming and shaming maar een, zoals Commissievoorzitter Barroso gisteren zei, een in 'diplomatieke bewoordingen' gestelde balans van de inspanningen die de 25 lidstaten leveren. Zo constateert de Commissie bijvoorbeeld dat nogal wat landen vorderingen maken bij het verbeteren van het ondernemersklimaat, maar zijn er ook heel wat landen laks bij het bevorderen van concurrentie.

Geen regering die zich hoeft te schamen voor het oordeel van de Commissie. Daarvoor zijn zowel de ingediende plannen als de beoordeling ervan in te algemene bewoordingen gesteld. Dat is dan ook de kritiek die erop geuit. De Europese Commissie zou hebben gekozen voor een te vrijblijvende aanpak. Zo zei voorzitter Ernest-Antoine Seillière van de overkoepelende Europese werkgeversorganisatie Unice in een reactie: 'De nationale hervormingsplannen zijn een stap vooruit. Maar veel van de programma's vertonen toch een gebrek aan ambitie wanneer het op de concrete invoering aankomt.'

Politici ter linkerzijde hekelen het uitblijven van een gezamenlijke aanpak. 'De ontbrekende schakel is nog altijd een gezamenlijke Europese investeringstrategie om maximale werkgelegenheid te creëren', aldus voorzitter Martin Schulz van de socialistische fractie in het Europees Parlement.

De waarde van de actieplannen is, zo zegt men bij de Europese Commissie, dat regeringen er op kunnen worden aangesproken. Dat is een taak voor de daartoe aangewezen instanties in de landen zelf, bijvoorbeeld de nationale parlementen.

Maar het valt te betwijfelen of die net zo druk bezig zijn met de Europese agenda als de professionals in Brussel zelf.

Het zijn dan ook vooral de Europese regeringsleiders die straks in maart aan de hand van alle plannen zullen moeten bezien of Europa als geheel nu voldoende doet om de concurrentie met de Verenigde Staten en de razendsnel opkomende economieën in Azië aan te kunnen. Want daar was het allemaal zes geleden om begonnen toen de leiders van de (toen nog) vijftien landen van de Unie in Lissabon met elkaar afspraken dat de Europese Unie in 2010 de meest concurrerende economie te wereld zou moeten hebben.

In werkelijkheid heeft Europa sindsdien alleen maar meer achterstand opgelopen ten opzichte van de concurrenten. Vandaar ook dat het voornemen om in 2010 de beste te zijn, vorig jaar is verlaten. Het was te pijnlijk voor Europa om telkens aan het onhaalbare streven te worden herinnerd.

Dat neemt niet weg dat er nog wel gezamenlijke doelstellingen zijn. Zo is er de afspraak dat in het jaar 2010 de landen minimaal 3 procent van hun bruto binnenlands product moeten besteden aan onderzoek en ontwikkeling. Voorts hebben de landen zich vastgelegd op de afspraak dat in dat jaar 70 procent van de beroepsbevolking aan het werk moet zijn.

De rapportage leert dat de meeste lidstaten nog een lange weg te gaan hebben om hieraan te voldoen. Alleen Zweden, het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Denemarken halen nu al de doelstelling voor de werkgelegenheid. En slechts zeven van de 25 landen geven nu al 3 procent of meer van het bruto nationaal product uit aan onderzoek.

Maar voorzitter Barroso van de Europese Commissie is hierdoor niet ontmoedigd. Het gaat hem erom dat de voornemens die de lidstaten op papier hebben gezet, nu in concrete maatregelen worden omgezet. In het kader van die positieve benadering kón hij gisteren niet anders dan hier het volste vertrouwen in uitspreken.

Het was vice-voorzitter Gunter Verheugen die het nu in gang gezette proces gisteren het beste omschreef. In plaats van met de eeuwige rijdende trein vergeleek hij de Europese Unie met een konvooi schepen: 'Ze hebben allemaal de haven verlaten en varen ook allemaal dezelfde, juiste richting uit. Het ene schip gaat wat sneller dan de ander. Dat geeft de langzame schepen een prikkel om in een hogere versnelling te raken.'

    • Mark Kranenburg