Minder groei, meer geluk

Sinds 2001 is de Nederlandse economie amper gegroeid. Het aantal mensen met eigen inkomen - zelf verdiend, of een door anderen betaalde uitkering - bleef echter toenemen. Door alle extra inkomenstrekkers die zich rond de nationale trog verdrongen, stonden de inkomens onder druk. Bovendien schroefde het kabinet de lasten in deze moeilijke jaren op. Geen wonder, dat de koopkracht in veel gezinnen al enkele jaren daalt. Liggen deze magere jaren nu definitief achter ons? De meeste ramingen van banken en officiële instellingen voorspellen voor dit jaar een economische groei tussen 2 en 3 procent. Krijgen de economische piskijkers gelijk, dan zien velen hun koopkracht dit jaar weer (een beetje) stijgen. Maar dat geldt niet voor iedereen. Vooral de invoering van de nieuwe ziektekostenverzekering pakt voor de portemonnee van gezinnen heel verschillend uit. Daarnaast zien veel ouderen hun inkomen nauwelijks toenemen, omdat het pensioenfonds de indexatie van hun pensioenuitkering voor een deel of zelfs geheel heeft geschrapt.

Dat de vaderlandse economie eindelijk aantrekt, leidt tot opluchting in politiek Den Haag. Kiezersonderzoek suggereert dat de huidige coalitie niet langer kan rekenen op steun van een meerderheid van de bevolking. In het kamp van de regeringspartijen leeft hoop op electoraal herstel, nu de economie uit het dal lijkt te kruipen. Economische groei betekent dat de belastingen meer opbrengen, terwijl minder geld voor de sociale uitkeringen nodig is. Zo ontstaat budgettaire ruimte, waardoor impopulaire bezuinigingen achterwege kunnen blijven en kiezers een bescheiden belastingverlaging in het vooruitzicht kan worden gesteld. Dat is een welkom perspectief, met verkiezingen voor de gemeenteraad (maart 2006) en de Tweede Kamer (mei 2007) op komst.

Economische groei leidt dus tot tevreden gezichten bij burgers die in meerderheid ten langen leste wat meer te besteden krijgen en bij politici die hun kansen op herverkiezing zien toenemen. Maar worden we werkelijk gelukkiger wanneer de productie en het daarmee verdiende nationale inkomen toenemen? Nee. Het is een hardnekkig misverstand dat dankzij de door statistici gemeten welvaartsstijging ook het nationale welzijn toeneemt. Op het moment dat elementaire behoeften zijn bevredigd - aan schoon water, gezond voedsel, huisvesting, onderwijs en een basisniveau van gezondheidszorg - lijkt het betrekkelijk zinloos te streven naar nog meer rijkdom. Enquêtes leren namelijk dat de bevolking van de industrielanden ondanks de spectaculaire economische groei van na de Tweede Wereldoorlog op dit moment niet gelukkiger is dan een halve eeuw geleden het geval was.

Hoe kan dat? Een gideonsbende van economen en psychologen komt met uiteenlopende verklaringen. Ten eerste hangt geluksgevoel in hoge mate samen met wat anderen - collega's op het werk, de buren - verdienen. Hebben mensen uit onze referentiegroep het beter, of gaan zij er meer op vooruit, dan wakkert dat onlustgevoelens bij de achterblijvers aan. Bovendien: alles went. Op dit moment lijkt een verdubbeling van het inkomen voldoende om alle wensen in te willigen en voortaan onbezorgd te kunnen leven. Nadat het inkomen daadwerkelijk is verdubbeld, duurt het maar een paar jaar voordat bijna iedereen zich weer even ontevreden voelt als voorheen. Met het inkomen nemen ook de behoeften toe.

Verder is het een illusie dat een hoger inkomen exclusieve zaken binnen bereik brengt, waardoor we ons van anderen kunnen onderscheiden. Tot het eind van de jaren vijftig was het bezit van een auto slechts voor weinigen weggelegd. Nadien bracht de algemene economische groei dit positional good voor grote groepen binnen bereik. Toen bleek het bezit van de zaak tevens het eind van het vermaak. Automobilisten zitten elkaar in toenemende mate in de weg. Wanneer iedereen de vruchten van voortgaande economische groei plukt, blijken de druiven vaak zuur te smaken.

Deze boodschap staat centraal in het recente boek Happiness van de Engelse econoom Layard. Maar dezelfde redenering gaat vermoedelijk op voor veel door de overheid getroffen voorzieningen. In de tweede helft van de jaren zestig liep niet meer dan 35 à 40 procent van het nationale inkomen door de schatkist. Tegenwoordig beslaan de overheidsuitgaven bijna de helft van het gezamenlijke inkomen (het is zelfs 60 procent geweest). Deze schommelingen in de hoogte van de overheidsuitgaven zijn niet terug te vinden in de waardering van de burgers voor collectief gefinancierde voorzieningen. Hogere uitgaven leiden niet per definitie tot meer welzijn. Ook de verdeling van het 'profijt van de overheid' - die sinds 1977 periodiek door het Sociaal en Cultureel Planbureau wordt gemeten - is opvallend stabiel, ondanks het wisselende niveau van de collectieve uitgaven. In hun boek Public Spending in the 20th Century verdedigen Tanzi en Schuknecht dan ook de stelling dat de overheid veel groter is dan nodig om het algemeen welzijn te bevorderen. Het niveau van de overheidsuitgaven kan in hun visie beperkt blijven tot circa 30 procent van het nationale inkomen.

Zulke dissidente geluiden, dat hogere economische groei en uitbreiding van overheidsvoorzieningen ons niet gelukkiger maken, winnen aan kracht. Het is echter nog een lange weg van de studeerkamers waar deze inzichten rijpen naar de programma's die politieke partijen binnenkort opstellen met het oog op de Kamerverkiezingen.

    • Flip de Kam