Literatuur is geen museumstuk

Het is zorgwekkend wanneer een hoogleraar die geacht wordt zijn studenten gedichten te leren lezen, zich neerlegt bij hun lege ogen omdat ze geen weet hebben van wat poëzie werkelijk is, meent Maarten Doorman.

In de Nederlandse poëzie valt van alles te beleven en er wordt veel moois geschreven. Er is een landelijke poëzieclub met een nieuw tijdschrift, vandaag is het weer Nationale Gedichtendag en het afgelopen decennium zijn steeds meer dichters gaan optreden voor groter en anderssoortig publiek.

Toch heerst bij menigeen het idee dat de poëzie in een crisis verkeert. De jonge dichter Bas Belleman wees er vorig jaar op dat de poëzie zich overal in het openbaar vertoont, tot op vuilnisauto's. Maar doet zij er nog toe? vroeg hij zich af.

Die vraag verwoordt een twijfel die veel liefhebbers van literatuur bekruipt. Is het geloof in de literatuur niet een romantische uitvinding, nostalgie die in leesclubs kan worden gecultiveerd en niets meer te maken heeft met de wereld van snelle internetverbindingen en jeugdige lezers die zappen en rappen? Moet je studenten nog wel met poëzie lastigvallen? En schiet de huidige poëziekritiek niet volledig haar doel voorbij? Dat is, kort gezegd, de invalshoek van de nieuwe hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde Thomas Vaessens.

In zijn bijdrage in Opinie & Debat van 21 januari stelt hij dat veranderingen in de literatuur niet van schrijvers komen, maar worden veroorzaakt door technische en economische ontwikkelingen. Je kunt veranderingen in de literatuur bovendien slechts begrijpen, als je let op de sociale groepen die zich ermee bezighouden, in academisch jargon het 'veld' geheten. Daarom is de 'autonomie' van literatuur een fictie, wat al die ijverige schrijvers en wereldbestormende dichters er zelf ook van denken. Bij deze analyse vallen verder altijd de woorden 'media' en 'massacultuur' tegenover de 'hogere' of 'officiële' cultuur.

In dergelijke standpunten valt moeiteloos het postmodernisme van de literatuurwetenschap van de laatste decennia te herkennen, met daaronder het hardnekkige leerstuk van het marxisme: de theorie van de sociaal-economische onderbouw die alles bepaalt.

Vanaf de jaren zeventig heeft in de letteren een verschuiving plaatsgevonden van de studie van literatuur naar die van de lezer, de markt, de elite, de cultuurindustrie, kortom, van het denken over inhoud en stijl naar het sociologisch benaderen van 'teksten'.

Mij verwondert het niet dat de letterenfaculteiten sindsdien bijna gedecimeerd zijn, want die analyses en theorieën zijn nogal vervelend en voorspelbaar vergeleken met de literatuur zelf. Maar treurig is het wel.

In die zin is het betoog van Vaessens niet nieuw, al meent hij zelf een revolutie te ontwaren.

Wat nieuw is, en moedig, is dat hij zo onomwonden de 'lege ogen' van zijn studenten beschrijft als hij met poëzie-analyse aan komt zetten. En wat vooral nieuw is, is de conclusie die hij daaruit trekt. Zijn studenten zijn niet meer in staat om 'een lang krantenartikel helemaal uit te lezen', laat staan 'in stilte en concentratie' een gedicht te bestuderen. En om die reden zou aandachtig lezen niet meer van deze tijd zijn. De studenten 'zijn volkomen vervreemd geraakt van (...) de klassieke wereld van de poëzie.'

De belangrijkste oorzaak hiervoor, het vrijwel afschaffen van het literatuuronderwijs aan de middelbare scholen, vindt hij een te gemakkelijke klaagzang. Dus wat doet hij? Hij geeft de studenten met de lege ogen gelijk als ze zich laten afleiden van dat 'lange krantenartikel' door 'het bliepje van de mail of van de sms.'

Nu ken ik niet alleen die bliepjes, maar ook de verleiding van dat standpunt. Ik zie bij mijn studenten soms diezelfde blik en ik wanhoop net zo goed wel eens over wat ze niet weten of kunnen. De vraag is echter of je je daar als docent bij neerlegt, of de ambitie hebt daar iets aan te doen.

De lege blik van een eerstejaarsstudent ontroert mij, maar in het tweede jaar wil ik die niet meer zien. Anders heb ik iets verkeerd gedaan. Ik heb bovendien de ervaring van studenten, 'jonge mensen' dus, die enthousiast worden wanneer je iets van hen eist, wanneer je een beroep doet op hun nieuwsgierigheid, hun verlangen iets te leren, en die opleven wanneer je ze als de volwassenen behandelt die ze eigenlijk zijn. En ik ga ervan uit dat je als criticus de lezer van je stukken minstens even serieus moet nemen.

Niettemin heeft Vaessens gelijk, wanneer hij stelt dat de poëziekritiek in Nederland te beperkt is en zich te exclusief richt op een afgeschermd terrein. Kunstredacties moeten nadenken over de manier, waarop ze poëzie op internet, op festivals en bij andere optredens gaan volgen. Voorzover ze dat een enkele keer op de kunstpagina doen, is het volkomen incidenteel, met behulp van verslaggevers die niet bereid of in staat zijn een kritisch oordeel te vellen. Het ontbreken van die kritiek zorgt er omgekeerd voor, zoals Vaessens terecht stelt, dat de kwaliteit vaak zo matig blijft.

Maar de sociologische benadering van literatuur, het zo onvruchtbaar gebleken postmodernisme in de letteren en een opportunistische houding in het onderwijs verdienen geen navolging. Vaessens' vooruitgangsretoriek past goed in de onderwijsvernieuwingen van de laatste decennia, en leidt tot eenzelfde verwoestend resultaat.

Zijn standpunt zorgt ervoor dat de poëzie binnen afzienbare tijd met de vuilniswagen mee kan, niet meer op de buitenkant, maar erin, vermalen met het overgebleven literatuuronderwijs en het geloof dat literatuur de moeite waard is.

Literatuur is geen museumstuk, ze leeft en verandert en is voor lezers van nu en voor toekomstige generaties. Het is zorgwekkend wanneer een hoogleraar die geacht wordt studenten gedichten te leren lezen en Nederlandse literatuur bij te brengen, dit geloof als nostalgie van tafel veegt.

www.nrc.nl/opinie:- Thomas Vaessens 'Zonder kritiek wordt niemand groot - tegen het romantische beeld van poëzie'

Maarten Doorman is filosoof, dichter en criticus. Hij doceert journalistieke kritiek op het terrein van kunst en cultuur aan de Universiteit van Amsterdam en is tevens verbonden aan de universiteit van Maastricht.