De zoon van de vlinder

Remco Hottentot wordt in iedere haven beroofd, maar weet wel waarom vrouwen geen vlinders op hun borst tatoeëren.

Het expeditieschip M.S. Plancius is een opgelapte loodsboot die 's winters de Orinocodelta opvaart en 's zomers koers zet naar de Noordpoolcirkel. Het schip wordt in de vaart gehouden door natuurliefhebbers, die diep in de buidel moeten tasten om mee te mogen. Maar ze krijgen dan ook 'het avontuur van hun leven'. Dit kan wel anders uitpakken dan ze zich hebben voorgesteld. Zo werd de Plancius een keer in de territoriale wateren van Venezuela door militairen geënterd en opgebracht.

De sloepenrol brengt een bont gezelschap opvarenden aan dek. Bootsman Hottentot telt de koppen. De bemanning bestaat uit jonge vrijwilligers; de passagiers zijn niet meer zo piep. Mijn vrouw en ik worden ingedeeld bij een biologe, de scheepsarts, een rechter in ruste, een begrafenisondernemer, een ander echtpaar, twee matrozen en een warme bakker.

Op volle zee wordt duidelijk waarom het schip onder zeelui bekendstaat als een slingerbak. We stuiteren alle kanten uit. In het holst van de nacht ontvluchten we onze kooi en klampen ons vast aan de reling. Links en rechts van ons kletteren vliegende vissen op het dek.

Hottentot loopt de hondenwacht. De bootsman heeft een hagelwit tropenuniform aan. Het lijkt alsof hij zo uit de koloniale tijd is gestapt. Zoals de andere bemanningsleden in elk stadje een schatje hebben, zo wordt Remco Hottentot in elke haven beroofd.

Remco vertelt over het beruchte Duivelseiland voor de kust van Frans-Guyana. Alfred Dreyfus en de Parijse onderwereldfiguur Henri Charrière, beter bekend als Papillon vanwege de op zijn borst getatoeëerde vlinder, zaten er jarenlang onschuldig gevangen. Papillon wist te ontsnappen, werd gepakt en kwam in 1945 vrij. Hij schreef een boek over zijn leven en werd beroemd.

In het vroege ochtendlicht zien we dolfijnen op de boeggolf. Het zijn de voorboden van de zoetwaterdolfijnen die we op de Orinoco hopen te zien, zo goed als capybara's, reuzenotters, brulapen, slangenhalsvogels, quetzals, harpijen en piranha's. Maar voordat we dit paradijs in mogen, komen er loodsen aan boord en een stoet douanemensen met formulieren. Er moeten drank en sigaretten aan te pas komen om schot in de zaak te krijgen.

De Plancius ontloopt havengeld door niet aan te meren, maar voor anker te gaan. Soms is er geen andere keus. Het creolendorp Curiapo bijvoorbeeld staat op palen, zodat we er alleen met rubberboten kunnen komen. Het is al laat in de middag als de Plancius het anker laat vallen; te laat om er nog naar toe te gaan. Tegen de schemering komen er Warau-indianen aanpeddelen. Het zijn nakomelingen van een volk dat hier al vijfduizend jaar leeft. In hun uitgeholde boomstammen blijven ze urenlang bewegingloos rond het schip hangen. We staren naar elkaar. Zij vanuit hun kano's; wij vanaf het dek. Pas als de bemanning iets laat zien wat van hun gading is, komen ze aarzelend dichterbij.

De volgende morgen wandelen we over de steigers van Curiapo. Een man, die opvalt door zijn lichtere huid, nodigt ons uit in zijn huis. Aan de wand hangen tussen pin-ups en een foto van de paus vergeelde krantenknipsels over Papillon. De man beweert dat hij Papillons zoon is. Om ons ervan te overtuigen dat hij de waarheid spreekt, trekt hij zijn hemd open. Over de volle breedte van zijn borst is een vlinder getatoeëerd met de tekst 'Papa Papillon'. We storten onze bijdrage in zijn Papillonpot en haasten ons om bij Remco Hottentot verslag uit te brengen van onze bijzondere ontmoeting. Het blijkt dat tal van anderen ons voor zijn geweest. Remco legt uit dat het aan de Caraïbische kusten wemelt van de zonen van Papillon. Hoe meer toeristen er komen, hoe meer er opduiken. Altijd zonen; nooit dochters. 'Geen ruimte voor een vlinder', vermoedt hij.

    • Otto Holzhaus