Zacht maar zorgelijk

Louise Arbour, aan de Verenigde Naties verbonden als Hoge Commissaris voor de Mensenrechten, zei onlangs in het Franse dagblad Le Monde dat geheime opsluiting een vorm van marteling is. Aanleiding waren de geruchten over luchttransporten met terreurverdachten en het vasthouden van gevangenen in geheime kampen door de Amerikaanse inlichtingendienst CIA. Arbour wordt instemmend aangehaald door de Zwitserse parlementariër en advocaat Dick Marty, die voor de Raad van Europa onderzoek doet naar de geheime detenties en die gisteren voorlopig verslag uitbracht. De Raad van Europa, waarvan 46 landen lid zijn, heeft als belangrijkste taak de bescherming van de mensenrechten en de rechtsstaat.

Marty's bevindingen zijn verontrustend en boterzacht tegelijk. Hij zegt dat het onwaarschijnlijk is dat regeringen in Europa niet wisten van de heimelijke CIA-activiteiten. Maar, zo voegt hij eraan toe, formeel en onomstotelijk bewijs ontbreekt voor detentiecentra in enig Europees land. Anders gezegd: er is een rokend pistool, maar geen kogel - laat staan een lijk. Dit gebrek aan bewijs zit Marty in de weg. Hij moet te vaak journalistieke research aanhalen en verhult zijn morele oordeel niet. Dat is zwak voor een onderzoek dat onafhankelijk pretendeert te zijn en dat zich op primaire bronnen zou moeten baseren. Bij zoiets zwaarwegends als veronderstelde mensenrechtenschendingen op grote schaal zijn het juist de feiten die tellen. De onderzoeker Marty is vooralsnog te weinig feitelijk.

En toch is er reden tot grote zorg. Immers, de Verenigde Staten hebben nooit ontkend dat zij in de strijd tegen terroristen soms overgaan tot “buitengewone uitleveringen' (extraordinary renditions, zoals de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken deze vorm van inhechtenisneming tijdens haar Europese bezoek noemde). In de CIA-praktijk kan dit betekenen dat verdachte individuen zonder meer worden opgepakt, ontvoerd en vastgehouden. Marty geeft daarvan één voorbeeld. Dat is niet veel, maar het geval is navrant genoeg. In 2003 werd de Egyptische burger Hassam Osama Mustafa Nasr, bekend als Abu Omar, in het centrum van Milaan ontvoerd door wat later CIA-functionarissen bleken te zijn. Hij werd via de militaire bases Aviano en Ramstein naar Egypte gebracht, waar hij gemarteld werd, vervolgens werd vrijgelaten en daarna opnieuw gearresteerd. Zijn zaak is een tot in detail geboekstaafde, grove schending van de mensenrechten.

Marty maakt zich terecht zorgen over wat hij het “overplaatsen' of “uitbesteden van martelen' noemt. Om hun eigen anti-martelwetten te omzeilen, zouden de Amerikanen terreurverdachten naar derde landen overbrengen om ze daar door lokale geheime diensten te laten ondervragen. Een ex-CIA-agent zei tegen een Britse verslaggever dat men voor “serieuze ondervraging een gevangene naar Jordanië moet sturen en voor marteling naar Syrië. Als men een gevangene voorgoed wil laten verdwijnen, moet hij naar Egypte.“

De vraag blijft: is dit waar? En ook: als Amerika en Europa samenwerken in de strijd tegen het terrorisme, knijpen de Europeanen dan een oogje dicht bij dergelijke praktijken? Onderzoeker Marty geeft (nog) geen antwoord. Hij is waarheidsvinding aan zichzelf en zijn opdrachtgever verplicht. Dat ontslaat de Europese regeringen intussen niet van zelfonderzoek. De Raad van Europa zijn zij zélf, en Marty is niet hun schaamlap.