Naar Azië

Wie op Aziatische vliegvelden de verveling in schrale boekenkiosken wil verdrijven, komt niet zo ver. Overal dezelfde pockets van meestal Amerikaanse thrillerschrijvers, veel mentale steun in boekvorm om je beter te voelen en/of rijker te worden - ook van Amerikaanse makelij. En verder de gangbare Azië-gaat-het-helemaal-maken lectuur. Ook voornamelijk van Amerikaanse auteurs. Het lijkt wel alsof de Aziaten zelf te druk zijn om het te gaan maken en daarom geen tijd hebben dat ook nog op te schrijven.

Een paar toevallige Europese zakenlieden geven hoog op van India - nog meer de belofte voor de toekomst dan het mysterieuzere China. Maar China of India - het lijkt in de euforie over drie miljard nieuwe kapitalisten in het Oosten niet meer dan een nuance. Zoals de vroegere rechterhand van Ronald Reagan, Clyde Prestowitz, het in een onstuimige studie van een paar maanden geleden samenvatte: alles wijst op De Grote Verschuiving van Rijkdom en Macht naar het Oosten.

De luchthavenpockets werken vooral met statistieken, die moeten inslaan als de kogels van een automatisch geweer. Driekwart van alle sokken komt uit China, bijna tweederde van alle magnetrons, eenderde van alle elektronica. Een paar confucianistische wijsheden over geduld, en over kat-en-muis doen in de vluchtigheidslectuur de rest.

Maar ook de saaiere getallen zijn adembenemend: China heeft voor 250 miljard dollar aan Amerikaanse staatsobligaties en het heeft ruim 800 miljard dollar in kas - dat is meer dan heel Nederland vorig jaar bij elkaar verdiende.

Westerlingen die voor het eerst in Aziatische groeimetropolen komen, schrikken zich een hoedje. Het betonnen geweld waarmee miljoenensteden uit de grond worden gestampt, de dag-en-nacht doordraaiende betonmolens, de winkelcentra met hun afmetingen en hun rijkdom, de fonkelende infrastructuur. Europese zakenlieden die er vaak heengaan, worden heen en weer geslingerd tussen wanhoop over hun eigen landen van herkomst en geestdrift over tomeloze vitaliteit van deze nieuwe wereld.

Tussen hen die “het gezien hebben' en zij die “het niet geloven' bestaat in Europa een geweldige kloof. Voor de eerste groep is het alle hens aan dek om de West-Europese samenlevingen met de hoogst mogelijke urgentie te hervormen. De thuisblijvers wantrouwen zoveel dadendrang om onze stabiele samenlevingen vanwege de oosterse dreiging nu maar meteen helemaal op zijn kop te zetten.

Wat is waarheid?

In de beschouwingen van de jaren zeventig was het altijd Japan dat bij een voortgezette ontwikkeling nu zo ongeveer de Verenigde Staten zou zijn voorbijgestreefd als de grootste economie ter wereld. Daar is niet veel van terechtgekomen en de Japanners zijn blijven hangen op zo'n kwart van het Amerikaanse nationaal product. Toen de Sovjet-Russen in 1957 hun Spoetnik omhoogschoten, vreesden de Amerikanen het Kremlin als de heerser van morgen. Ook dat heeft een heel ander slot gekregen. En nu zijn het dan de Chinezen die volgens de statistieken over 25 jaar 's werelds grootste economie ter wereld vormen.

Deskundigen zijn het oneens over de houdbaarheid van deze prognoses. Critici zeggen dat het land veel te hard groeit, met burgemeesters die als dolle honden hun eigen Manhattans bouwen, hele landsdelen vervuilen, met contrasten tussen arm en rijk die op den duur tot scheuren moeten leiden, met onbeteugelde corruptie en daarmee gepaard gaande maffiapraktijken; met een middenklasse die zijn stem zal verheffen tegen de autoritaire partijbonzen en met spanningen en botsingen tussen landsdelen en het machtscentrum in het verschiet. De banken zijn ondoorzichtig en een contract is er soms evenveel waard als een knipoog van een Siciliaanse barkeeper. Kortom, voldoende signalen die wijzen naar een of andere implosie.

Dat is de ene kant. De andere kant ziet juist technologische vooruitgang waarmee vervuiling kan worden bestreden, een groeiende kennis om het evenwicht tussen staatsmacht en de macht van de markt te behouden en een middenklasse die langzaam maar zeker meer zeggenschap zal eisen en, zoals elke middenklasse, matiging zal afdwingen. Chinese bestuurders weten waar ze mee bezig zijn, zijn goed geschoold en kennen beter dan welke buitenstaander dan ook de risico's van de groei. Bovendien - het gaat hier om zulke grote aantallen dat hun vooruitgang een onomkeerbare ontwikkeling zal zijn.

Vooral voor Amerika maakt zo'n prognose nogal wat uit. De VS beschouwen China primair als een potentiële tegenstrever als het gaat om politieke macht. Wie kan welke dingen naar zijn hand zetten, in welke mate zijn belangen in de wereld te beschermen? Groeiende economische macht van China heeft ingrijpende gevolgen voor de politieke macht van Amerika. Clyde Prestowitz adviseert zijn land daarom om afscheid te nemen van de radicale vrijemarktideologie en het aloude militair-industriële complex in Amerika weer in ere te herstellen, d.w.z. een nauwe samenwerking tussen bedrijfsleven en strijdkrachten om op technologisch gebied voorop te blijven lopen en de rest van de wereld erbuiten te houden. Pas dan kan Amerika economische en militaire suprematie behouden.

Zo'n grand strategy heeft Amerika nog niet, het land schept juist door zijn financiële tekorten grotere afhankelijkheden van Aziatische geldschieters en vermindert daarmee eigen speelruimte. Dit wordt ongetwijfeld een prominent onderwerp bij de volgende Amerikaanse presidentsverkiezingen.

Een typisch Europese kijk op de opkomst van Azië is er niet, al lijkt niet de vreugde te overheersen nu miljoenen mensen het eindelijk ook beter beginnen te krijgen. Is het afgunst nu de Louis Vuittons van deze wereld meer zaken doen in Sjanghai dan in de PC Hooftstraat? Is het vanwege de brute vorm van kapitalisme waarmee het gepaard gaat? Of is het omdat deze Aziatische dadendrang een tijdbom legt onder een achteraf toch heel onbekommerde periode van welvaart in Europa? Het wachten is nog op een Europese omgangsvorm met deze Aziatische dadendrang - een omgangsvorm die verder reikt dan ongeloof, verlegenheid, paniek of struikelend over elkaar vanuit de business class in oostelijke richting.