Een buurt “on the edge of' oorlog

“Erg toch, dat we zo wantrouwend zijn geworden“, zegt een vrouw die uit de winkel komt. Ik kijk even om en moet concluderen dat de “we' uit haar zin op mij slaat. “Ik dacht dat je op mijn fiets uit was“, zegt ze.

“Ik, op uw fiets?“ vraag ik.

“Ja“, zegt ze. Als ze niet oud was geweest, had ze er “duh' achteraan gezegd, zo logisch vindt ze het.

“Je staat er bij te dralen, ik vond het verdacht.“ Ik probeer mezelf van een afstandje te bekijken maar kan niets verdachts aan mezelf ontdekken. Ik ben een wachtend, pacifistisch, ietwat opgewekt meisje in de bloei van haar leven. De vrouw begint met lichte agressie het kettingslot van haar fiets los te maken. “Het komt door wat je leest, over deze buurt“, zegt ze bits.

Ja, mijn buurt. De tijd dat ik zei dat ik in De Pijp woonde, is voorbij. De Pijp is voor mietjes! De Diamantbuurt, dáár kun je mee aankomen. Meelijwekkende blikken vallen mij ten deel, vooral de mensen die nog nooit in de buurt zijn geweest slaan hun handen vol afgrijzen ten hemel. Ik vertel hun dat ik woon in een smeulend terroristisch getto, waarvan de vlammen in de huizen elk moment kunnen overslaan. Dat, zodra ik mijn deur uitloop (als ik de doorgang heb vrijgemaakt van de troep die naar binnen is gegooid) er grote horden jongeren stenengooiend en hoerroepend achter mij aankomen. Erger nog, dat er op straat soms niet eens Nederlands wordt gepraat. Ik zucht dat het inderdaad niet meevalt, maar dat ik mij er dapper doorheen worstel. Het is heerlijk, de aandacht die ik krijg. Ik doe het goed, op feesten en partijen. Ik leg uit dat het precies is zoals men schrijft: een buurt on the edge of oorlog. Dat er hier mensen zijn die erover denken te verhuizen, ik snap het niet, mijn populariteit groeit met de dag.

“Ik ben niet eens een Marokkaan“, grap ik nog. Maar de vrouw, dat moet ik haar nageven, kijkt niet naar uiterlijke kenmerken. We zijn intussen allemaal verdacht.

“Het is erg“, herhaalt ze dan, “dat we zo wantrouwend zijn geworden“.

    • Merel Roze