Al die klompen

Jac Niessing is 70. Zijn vader was van 1897, zijn moeder van 1905. Ze trouwden op 1 februari 1928 en kregen datzelfde jaar nog een kind. Twintig jaar later hadden ze er vijftien. En met de vijftiende, zei zijn moeder altijd, was ze net zo blij geweest als met de eerste.

J. S. Niessing (Nederasselt (Gld.), 15 febr. 1935) woont in Nederasselt. Foto Roger Cremers Nederland, Nederasselt, 20-01-2006 Jack Niessing PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Niessing is niet een man die zich breed maakt om eens een goed verhaal te vertellen. Vijftien kinderen ja, hijzelf was de zevende in de rij en toen het gezin compleet was, had hij precies zeven broers en zeven zusters. Maar of dat nou zo bijzonder was? Toen niet. Hier niet. Hij kan zo een stel gezinnen opsommen waar ze maar een paar kinderen minder of zelfs een paar kinderen meer hadden.

Vijftien kinderen en ze hadden allemaal een naam, ze hadden allemaal een plaats aan tafel, ze hadden allemaal een bed, ze gingen allemaal op zaterdag in de teil in het stookhok en werden natuurlijk bemoederd door An, hun oudste zuster.

Ze hadden een kat.

Ze hadden een foxje dat elke morgen de trap oprende om bij hem onder de dekens te kruipen.

Ze hadden altijd wel een tamme kauw of ekster in huis en een keer, toen hij een bromfiets zat te repareren en de onderdelen netjes op volgorde had gelegd, werden die een voor een door de ekster weggehaald.

“Waren jullie arm?“ vraag ik.

“Arm niet.“

“Was de streek arm?“

“Niet arm, niet rijk... je wist niet beter“, zegt hij zelf.

“We waren tevréden“, zegt zijn vrouw.

Het meest verbaas je je achteraf misschien nog wel over de klompen, die blanke klompen die gemaakt werden door Lucassen in Nederasselt of Gerrits in Overasselt, al die klompen die bij elkaar in de gang stonden, en op school stonden er natuurlijk nog méér, en je wist altijd precies welke de jouwe waren.

Zijn vader was opzichter bij de gemeente. Ze hadden een betrekkelijk ruim huis aan de Eindsestraat (“daar wonen nu twee gezinnen in“). En een royale moestuin. En vijf hectare grond, waarvan drie hectare fruit (“appels, peren, pruimen, en één notenboom“).

Twee akkertjes voor voederbieten, aardappelen en wat tarwe of rogge voor eigen gebruik. Moeder bakte zelf het brood, heerlijk brood (“altijd wit, bruin kenden we niet“). Later pas begon de bakker aan de deur te komen; zeven bakkers waren er, voor elke dag van de week één (“en op één dag waren er twee“).

De rest was weiland.

Vier koeien hadden ze en elk van de kinderen (“behalve de allerjongsten misschien“) leerde op zijn beurt melken - behalve Jac. Jac deed het onderhoud van de fietsen en, later, de bromfietsen (“en ik moest er niks van hebben ook, van die hele koeien niet“).

Twee fokzeugen hadden ze, dus biggen in overvloed. Elk jaar werden er vier, soms vijf, varkens geslacht door oom Hendrik, de huisslachter (“die stond 's zondags na de laatste mis met zijn boekje bij de kerk om te noteren waar hij die week verwacht werd“). Reusachtige varkens. Zevenhonderd pond, zegt hij, en dan zat er wel tien centimeter spek op, spierwit spek, en als dat gebakken werd - dat spatte niet, dat stonk niet, dat rook lékker.

“Kippen?“ vraag ik.

“Veertig, vijftig stuks“, zegt hij.

“En de eieren werden verhandeld?“

“Weinig hoor. We hadden er zelf een hoop nodig.“

En deze hele bedoening werd gerund zonder elektriciteit, want zij zaten precies in dat gat tussen Neder- en Overasselt dat het laatst op het net werd aangesloten. Dus zonder wasmachine, zonder stofzuiger, zonder vrieskist.

“En de ruilverkaveling?“ vraag ik. “Wanneer hebben jullie de ruilverkaveling gehad?“

“Laat hoor“, zegt hij. “Een jaar of twintig terug pas.“

Naarmate de gezinnen kleiner werden, werden de kavels groter. De lappendeken werd opgerold, het biljartlaken uitgerold. De huisjes, die als strooigoed over het landschap waren verspreid, werden de één na de ander overgenomen door mensen die eerder iets met geld dan met de streek hadden. En de Hatertse vennen, waar zíj alleen maar kwamen om te schaatsen of om “proppen' te verzamelen, dennenappels voor de kachel, worden vandaag de dag platgelopen en -gefietst door mensen uit Nijmegen.

“Vroeger“, zegt hij, “had iedereen hier wel een melkbus aan de weg staan. Nu zitten er op het hele dorp nog drie boeren.“

“Vroeger“, zegt hij, “kon je in de eerste week van de jacht wel honderd patrijzen schieten. Nu zit er nog maar een enkele.“

“Hazen en konijnen“, zegt hij. “Het is allemaal veel minder geworden. Allemaal de schuld van de vossen. Maar het landschap werkt ook niet mee - er zijn percelen die wel acht keer in een jaar gemaaid worden.“

“Mijn vader“, zegt zijn dochter dan, “was ambitieus.“

Ja, hij werkte in het dorp in het garagebedrijf. Hij bedacht dat hij zelf ook wel een auto zou willen. Je lijkt wel gek, zei zijn vader, wij als arbeiders kunnen dat nooit betalen. “Maar“, zegt hij, “toen ik vier-, vijfentwintig jaar oud was, kocht ik er een, een Renaultje, zo'n heel klein bol ding was het - de derde auto van Nederasselt.“

“En weet u“, vraagt zijn dochter, “dat er een Niessingkoor bestaat?“ Allemaal Niessings en aanhang en nazaten. Ze zingen in kerken, bejaardenhuizen en feestzalen. “Ze zijn allemaal muzikaal“, de dochter weer. “Een broer van hem, die is zo goed, die heeft met Marco Bakker gezonden.“

“Maar ú zingt niet“, begrijp ik.

“Ik niet“, zegt hij. “Maar ik heb vroeger wel de accordeon gespeeld. Dat waren complete dansavonden. Toen. Bij ons thuis.“