Afscheid van Le Corbusier

Soms leidt een krantenfoto tot een déjà-vu. Tijdens de rellen in de Franse banlieues in november stond er een déjà-vu-foto in deze krant. Te zien was hoe een stuk of vijf torenflats in Venissieux, een voorstad van Lyon, instortten. Volgens het onderschrift werden ze in 1994 opgeblazen.

Vignet getekend door Milo Rottinghuis Rottinghuis, Milo

De Franse foto leek sprekend op een foto uit The Language of Post-Modern Architecture. Op een van de eerste bladzijden in dit beroemd-beruchte boek uit 1977 zien we, in zwart-wit, een doosvormig appartementengebouw ineenzijgen. Het blok stond in Pruitt-Igoe, een wijk met sociale woningen in St Louis die in 1952 was gebouwd volgens de beginselen van de modernistische stedenbouw.

De wijk waarin de woonblokken werden omringd door groene, parkachtige ruimtes, was na oplevering bekroond met een architectuurprijs. Maar al een paar jaar later werd de wijk geteisterd door vandalisme en criminaliteit. De problemen werden zo groot dat er maar één ding op zat: opblazen. Dit gebeurde in 1972.

Voor Charles Jencks, de Amerikaans-Britse schrijver van de architectuurbijbel, was het opblazen van Pruitt-Igoe de doodsteek voor het modernisme. Maar in Frankrijk, en ook in Nederland, werden ook na Pruitt-Igoe nog veel Le Corbusier-achtige wijken gebouwd. Vooral in dit soort oorden staken in november de jonge bewoners auto's, winkels en scholen in brand.

In nabeschouwingen van de Franse rellen moesten de modernistische banlieues het ontgelden. Zo schreef de Britse schrijvende psychiater Theodore Dalrymple op de opiniepagina van deze krant smalend over de “Franse opinieleiders' die nooit eens waren gaan kijken in de banlieues. “Nooit hebben ze van dichtbij de door Le Corbusier geïnspireerde kazernes gezien, waar miljoenen bij elkaar werden gepropt, om er volkomen afgesneden van de rest van Frankrijk weg te teren.“ En: “Het is een teken van de Franse zelfgenoegzaamheid dat Le Corbusier in Frankrijk nog altijd geldt als een held onder architecten in plaats van als het misselijke egoïstische monster dat hij was.“

Ook J.L. Heldring stipte in een van zijn columns het verband aan tussen de Corbusiaanse stedenbouw en de rellen. Hij citeerde een Belgische cultuurfilosoof: “Nu pas begint men zich het destructieve, cryptofascistische karakter van dat modernisme te realiseren.“

Voor het eerst werd het modernisme niet in verband gebracht met socialisme en goede bedoelingen maar met fascisme. Maar opmerkelijk genoeg bleven ze dit keer onbeantwoord in Nederland, het land waar het modernisme langer dan waar ook stand heeft gehouden.

Dat was vijf jaar geleden nog anders. Toen ik in 1998 schreef dat de toekenning van een belangrijke oeuvreprijs aan de Bijlmerontwerper Siegfried Nassuth neerkwam op het bekronen van de grootste stedenbouwkundige ramp uit de Nederlandse geschiedenis, namen de prijsuitreiker Ole Bouman en de criticus Bart Lootsma het nog op voor de Nederlandse realisering van Le Corbusiers droom. Er was niets mis met de Bijlmer en de modernistische stedenbouw, vonden zij. Hooguit waren er in de Bijlmer de verkeerde mensen komen wonen: niet de blanke middenklasse, maar Surinamers en andere immigranten.

Maar dit keer bleef het stil. Sterker nog, toen in deze krant een bericht verscheen over een internationaal onderzoek waaruit bleek dat sociale problemen zich in allerlei soorten wijken voordeden, kwam er onmiddellijk een brief van de Amsterdamse stadsgeograaf Jos Gadet. Hij beweerde dat er wel degelijk een verband bestond tussen de opzet van een wijk en sociale problemen.

Hij wees op Death And Life Of Great American Cities, het boek van de Amerikaanse Jane Jacobs waaruit Charles Jencks ook al uitgebreid citeerde in zijn bijbel. In haar boek legde Jacobs al in 1961 precies uit waarom modernistische wijken met hun scheiding van werken, wonen en recreëren en hun vrijstaande woonblokken in onbestemde ruimtes niet werken.

“Jacobs voorspelde het bankroet van de banlieues en de Bijlmermeer in Amsterdam nog voordat deze werden gebouwd“, schreef Gadet. Dat hij en Jane Jacob dit keer onweersproken bleven, betekent dat ook Nederland nu voorgoed afscheid heeft genomen van Le Corbusier.

Dit is de eerste aflevering van Woensdag, een wekelijkse column op de grens van cultuur, politiek, ruimtelijke ordening, economie en filosofie. De vaste auteurs zijn NRC Handelsblad-redacteuren Bernard Hulsman, Maarten Schinkel, Rosan Hollak en Raymond van den Boogaard. De vignetten, getekend door Milo Rottinghuis, wisselen per week. Reacties naar woensdag@nrc.nl