Toen bont nog gewoon was

Middenin de crisistijd bekleedde een jonge Zwitserse een kop en schotel met bont. Dit object uit 1936, met bijpassende lange lepel, behoorde al gauw tot de ikonen van de moderne kunst. Het wordt bewaard in het MoMa in New York onder de titel: Déjeuner en fourure (bontontbijt), oftewel Die Pelztasse in de moedertaal van de kunstenares, Meret Oppenheim (1913-1985).

Schoen met bont. Ontwerp uit 1936, uitgevoerd in 2003.

Oppenheim behoorde in de jaren twintig en dertig tot die brede kring van jongelui die van overal uit Europa op avontuur gingen naar Parijs en daar rond de toenmalige avantgarde cirkelden. Ze was model voor Man Ray, die beroemd werd om zijn foto's van een koel-erotische Oppenheim; ze was bevriend met Max Ernst, François Picabia en niet te vergeten met het opperhoofd van het surrealisme, André Breton. Zelf begon ze in de jaren dertig ook surrealistisch te werken. Op de tentoonstelling die nu in het Stedelijk Museum 's-Hertogenbosch aan Oppenheim is gewijd is de nog steeds absurd ogende bonten kop en schotel alleen te zien op een foto van zo'n veertig jaar later. De kunstenares doet alsof ze een slokje gaat nemen. In de vorm van een persiflage is het bontontbijt er echter wel te zien: als een kerkelijk borduursel wordt het gepresenteerd tegen een achtergrond van satijn en brocaat en samen met een bosje kitsch- bloemetjes in een ovale lijst met licht bollend glas.

Het ziet ernaar uit dat Oppenheim haar hele leven geteerd heeft op haar eerste successen. Net als Dali is ze altijd surrealist gebleven. Objecten uit de jaren veertig werden in de jaren zeventig en tachtig weer in productie genomen (of toen pas uitgevoerd), sommige dateren zelfs uit 2003, dus van lang na haar dood. De tentoonstelling staat vol met vervreemdende objecten en ook haar ontwerptekeningen en schetsjes zijn luchtig en vreemd.Een hoed voor drie personen. Een hoed bestaande uit een hondenkop met opengesperde bek vol gemene tanden waar een extreem lange roodfluwelen tong uit bengelt. Licht erotische objecten, zoals een glazen tafelblad rustend op twee slanke damesbenen en één harige poot. Bizar en humoristisch is haar werk. Zelden bijtend, al behoren knekels en doodshoofden tot haar iconografie. Ook daarin lijkt ze op Dali.

Bont is een steeds terugkerend materiaal in haar objecten uit de jaren dertig en veertig, toen bont nog heel gewoon was. Gewoon voor de burgerij, maar niet op de oneigenlijke manier waarop Meret Oppenheim het toepaste: aan ringen, tafelranden, als halssieraad.

Het is een tentoonstelling vol knipogen naar vrouwen, al zijn het niet meer zulke vette knipogen als in de tijd zelf, omdat er sindsdien wel wat water in de feministische zee is gelopen. Neem de geweldige riem met de dameshanden, destijds typisch bedoeld voor een zeer excentrieke dame. Als je hem om doet rusten de over elkaar geslagen handen op de navel en wijzen de fel rode nagels naar beneden. Bij nader inzien fungeert het 'gouden' schakelarmbandje als een fijne maar stevige handboei. Zo'n object zou nu in elke kiosk kunnen hangen. Zelf zou ik wel naar een feestje willen met het halssieraad waaraan twee blote beentjes bungelen, alsof er een onzichtbaar kind op je schouders zit; de voetjes met fel blauwe kousen in zwarte lakschoentjes springen een beetje op alsof ze ergens plezier in hebben. Het aantrekkelijke van het surrealisme is dat je als toeschouwer steeds op het verkeerde been wordt gezet, waardoor je bijna noodgedwongen moet lachen.

Oppenheim maakte, zoals de titel al zegt: kleinigheden. Accessoires. Maar dan wel objecten die op speelse wijze een grote vrijheid opeisen voor elke vrouw. Dat lijkt nu gewoon, maar dat was het tot in de jaren zestig niet.

Tentoonstelling: Meret Oppenheim, bont en andere kleinigheden. T/m 8/4 in: Stedelijk Museum 's-Hertogenbosch, Magistratenlaan 100, 's-Hertogenbosch. Inl. 073-6273680 www.sm-s.nl. Open di en do 13-21u, wo, vr, za en zo 13-17u. Boek 29,95.

    • Saskia de Bodt