Provinciaal in Europa

Nederland moet aan een sterk Europa werken, zonder protectionisme en nationalistische sentimenten, zo stelt Bernard Wientjes, de voorzitter van ondernemersorganisatie VNO-NCW. Dat is een waarheid als een koe. De werkgeversvoorzitter maakt zich zorgen dat het land, dat in het verleden altijd meedeed aan de economische mondialisering, nu de aansluiting dreigt te missen. Hebben we, in dat perspectief, nog iets om trots op te zijn?

Gisteren presenteerde Philips zijn resultaten over het afgelopen vierde kwartaal en daarmee over heel 2005. Het concern doet het uitstekend en het speelt mee in tal van geavanceerde internationale markten. Van medische apparatuur tot computerchips, tot hoogstaande consumentenelektronica. Alle bedrijfsonderdelen van Philips doen het goed en 2006 wordt, volgens bestuursvoorzitter Kleisterlee, nog beter.

Het concern doet volop mee met de globalisering. Nederland mag dan nog steeds het hoofdkantoor herbergen, de productie en steeds meer onderzoek en ontwikkeling vinden wereldwijd plaats en, niet verrassend, steeds meer in Azië.

Het koesteren van zo'n wereldspeler binnen de grenzen lijkt in contrast met het toenemend 'provincialisme' in Nederland dat Wientjes signaleert en waartegen hij zich verzet: dat betekent volgens hem een keuze voor toekomstige armoede. Wie zich afkeert van het zogenoemde 'hoofdkantoordenken' is volgens hem op de verkeerde weg.

Maar is het niet van tweeën een? Het laat zich aanzien dat de komende tijd zich in Europa een verdere concentratie onder bedrijven zal voltrekken. Het internationale speelveld is volop in beweging. Ondernemingen passen zich daar, als het goed is, in schaal en focus constant bij aan.

Hier botst de theorie over globalisering met regelmaat met de harde praktijk van alledag. Want hoe valt een pleidooi tegen het protectionisme en nationalisme in Europa te rijmen met de wens om de hoofdkantoren van die samenklonterende ondernemingen koste wat kost binnen de nationale grenzen te houden? Dit mengsel van internationalisme en chauvinisme is niet zo vreemd als het lijkt. Het onderstreept dat er in de internationale economie nu eenmaal twee types van spelers zijn: de onderneming en de natiestaat.

Bij een zakelijk pleidooi voor het aanhaken bij de mondialisering zou het er niet toe moeten doen in welk land hoofdkantoren gevestigd zijn. Zij zouden staan op de plek waar tegen de laagste kosten het best kan worden gepresteerd. Vanuit een nationaal belang bezien doet de vestigingsplek er wel degelijk toe. Belastingafdracht speelt daar een rol bij, maar ook additionele werkgelegenheid in zakelijke diensten en technologisch onderzoek die de hoofdvestiging van een groot bedrijf aantrekt. En, vooruit, het internationaal prestige dat een bedrijf als Philips met zich meebrengt.

Om deze redenen concurreren landen met elkaar om een zo gunstig mogelijk vestigingsklimaat te creëren. En om die reden pogen zij ook maar al te vaak grensoverschrijdende fusies en overnames binnen Europa te blokkeren. De natie zit in dit opzicht Europa nog steeds in weg. Wie werkelijk een sterk Europa wenst, wars van protectionisme en nationalisme, zal zich juist tot een overtuigde Europese provinciaal moeten verklaren.