Meer groei en banen haalbaar in EU

Het Centraal Planbureau onderzocht de effecten van de 'Lissabon-agenda'. Zijn de Europese ambities haalbaar? 'Ze zijn niet realistisch voor 2010.' Maar wel een paar jaar later.

Wat zou het economische effect zijn als de belangrijkste vijf doelstellingen zouden worden uitgevoerd van de zogenoemde 'Lissabon-agenda', die stelt dat Europa in 2010 de sterkste economie van de wereld moet zijn? Dat was de opdracht die het Centraal Planbureau (CPB) kreeg van de Europese Commissie.

Het gaat daarbij om verhoging van het aantal werkenden, vermindering van het aantal drop-outs op scholen en verbetering van de opleiding van werknemers. Maar het gaat ook om verlaging van administratieve lasten voor het bedrijfsleven, verhoging van de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling van nieuwe producten. Ook werd gekeken naar het aspect van marktopening voor diensten in de EU. Daardoor kunnen loodgieters, banken en architecten zich makkelijker in andere Europese landen vestigen.

Vooral het doel om de participatie op de arbeidsmarkt tot 70 procent van de beroepsbevolking te laten stijgen en de onderzoeksuitgaven tot 3 procent van het bruto binnenlands product (de totale nationale productie) op te voeren, hebben een groot effect op de economische groei in Europa, stellen de onderzoekers George Gelauff en Arjan Lejour in de studie vast.

In 2004 werkte 64 procent van de Europese beroepsbevolking. Als de participatie tot 70 procent wordt verhoogd, wat de Lissabon-doelstelling is, stijgt de werkgelegenheid met ruim 10 procent. Maar dat verschilt wel sterk per Europees land, voegen de onderzoekers eraan toe. Zo zal de toename in banen en economische groei in Nederland, Oostenrijk, Denemarken, Zweden, Groot-Brittannië en Portugal bescheiden zijn, omdat deze landen al relatief dichtbij de werkgelegenheidsdoelen liggen. In landen als Italië, België, Polen en Hongarije zal de groei van de economie en de werkgelegenheid aanmerkelijk hoger zijn, aldus het CPB.

Grotere investeringen in onderzoeksuitgaven naar nieuwe technologieën en betere producten zullen de productiviteit sterk verhogen en ook de inkomens, blijkt verder uit de studie. De uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling door bedrijven en overheid bedragen nu gemiddeld nog geen 2 procent van het bbp.

De doelstelling van 3 procent vereist een forse verhoging van deze uitgaven, constateren de onderzoekers. Maar het rendement van onderzoeksuitgaven is voor de hoogwaardige technische en andere sectoren van de economie hoog. Dit kan over twee decennia leiden tot een extra groei van de Europese economie met 4 tot 12 procent, hebben de onderzoekers becijferd.

Zijn die Lissabon-doelstellingen haalbaar? 'Ze zijn niet realistisch voor 2010', zegt onderzoeker Lejour. 'Maar als de landen hier nog tien jaar aan werken, dan zullen een arbeidsparticipatie tot 70 procent en investeringen in onderzoek en ontwikkeling een behoorlijke economische groei kunnen genereren.'

Ook toename van scholing en opleiding heeft een substantieel effect, al is het pas op langere termijn. Doel van de Europese regeringsleiders is het aantal schooluitvallers in de EU terug te dringen van 16 naar 10 procent. Ook zou zeker 85 procent van de 22-jarigen een middelbareschoolopleiding of meer moeten hebben gevolgd. Het analfabetisme van 15-jarigen zou met 20 procent moeten worden teruggebracht. Een dergelijk beleid verbetert vooral de vaardigheden van nieuwkomers op de arbeidsmarkt, schrijven de onderzoekers, en dat is essentieel om de inzetbaarheid van werknemers te vergroten.

De opening van de dienstenmarkt en de vermindering van de administratieve lasten hebben een positief, maar bescheiden, effect op de economische groei. De dienstenrichtlijn, die koerst op opening van de markt voor diensten, zal de handel in commerciële diensten met 30 procent doen stijgen. Dat is aanzienlijk voor de sector zelf, hoewel het CPB erbij aantekent dat dit slechts 10 procent van de hele EU-handel beslaat. De totale handel van de EU-landen zal door de dienstenrichtlijn met 1,5 procent toenemen. De richtlijn, die in februari op de agenda staat van het Europarlement, is omstreden, omdat dienstverleners hun werk tegen voorwaarden aanbieden die in het thuisland gelden.

Nederland is een van de weinige EU-landen die de administratieve lasten voor het bedrijfsleven sterk heeft verminderd. Doel is deze met 25 procent te laten dalen, wat neerkomt op bijna 1 procent extra economische groei.

Uit de studie blijkt het potentieel van het Lissabon-programma. Maar de onderzoekers tekenen erbij aan, dat de realisering ervan afhangt van de mate waarin landen hun economie willen hervormen.

    • Michèle de Waard