Knielen op een bed violen

Het zinkviooltje dreigt uit Zuid-Limburg te verdwijnen bij gebrek aan zinkvervuiling. Natuur-beschermers willen het tij keren.

Het zinkviooltje is het slachtoffer van een beter milieubeleid. Vanouds was het Limburgse riviertje de Geul beroemd om zijn bijzondere 'zinkflora'. In mei kleurden de oeverlanden van het zwaar met zink vervuilde riviertje geel van de zinkviooltjes en fel paars van het zink-Engels gras. In hun gezelschap groeiden ook zinkboerenkers en zinkschapegras.

Zinkplanten zijn geen speciale zinkliefhebbers, maar ze kunnen er tegen omdat ze het zink dat ze opnemen onschadelijk maken met speciale ontgiftingsmechanismen. Daardoor floreren ze op plekken waar gewone planten het moeilijk hebben. De zinkvervuiling langs de Geul kwam van de Belgische mijnindustrie. Maar de zinkindustrie is verdwenen, oude mijnbouwterreinen zijn gesaneerd. De afgelopen vijftig jaar is zo'n 90 procent van de unieke, internationaal beschermde en zeldzame zinkflora uit de grensstreek verdwenen.

Valt het tij nog te keren? Op een tweedaags congres in het Belgische Kelmis, het hart van de vroegere zinkindustrie, vlak over de grens bij Vaals, klonken vorige week optimistische geluiden. Zo'n veertig onderzoekers en natuurbeschermers uit Nederland, België, Duitsland en Polen vergeleken hun ervaringen. 'Het is echt niet hopeloos. Er zijn wel degelijk effectieve herstelmethoden', zegt de initiatiefnemer van het congres, student milieukunde Ton van der Ent. 'Zo worden in Duitse natuurgebieden soms bulldozers ingezet om 'verse' zink omhoog te halen. Dat werkt prima.'

Ton van der Ent studeert aan de Saxion Hogeschool en richtte met medestudent Chantal Termeer de vereniging Nouvelle Montagne op. De naam is een woordspeling op Vieille Montagne, het oude mijnbouwbedrijf. De vereniging adviseert lokale gemeenten; de Europese Unie stelt enkele honderdduizenden euro's subsidie voor onderzoek en herstelprojecten beschikbaar.

Van der Ent: 'Natuurbeheerders zijn te voorzichtig. Zij durven geen maatregelen te treffen en daardoor gaan hun terreinen achteruit. Die zinkplanten zijn zeldzaam, maar taai. Hier en daar eens een flinke hap uit het terrein nemen, zoals in Duitsland gebeurt, werkt beter dan er een hek omheen zetten.' Een Vlaams natuurterrein dat een projectontwikkelaar illegaal half had platgewalst, bleek vijf jaar later weer rijk begroeid.

Rond het begin van de negentiende eeuw ontstonden in Kelmis de ertswasserijen. Al het zinkerts van mijnbedrijven uit de streek werd in Kelmis verzameld, vermalen en met veel water uit de Geul gewassen. Dat zinkrijke water werd weer op de Geul geloosd. Deze ertswasserijen zijn in 1884 gesloten, maar tot in de twintigste eeuw stonden hier grote zinkfabrieken. De laatste sloot in 1937. Rond oude zinkmijnen groeit vaak nog een rijke zinkflora in graslanden of op oude storthopen.Via de ertstransporten veroverden de zinkplanten de rest van de mijnstreek en ze verspreidden zich ook via de Geul. Noord-Oost België telt 23 locaties met zinkflora, Duitsland 35 en Nederland één. België kent naast gele ook roze zinkviooltjes. Uit het mijnbouwgebied in Nordrhein-Westfalen is een zeer zeldzaam donkerblauw zinkviooltje bekend.

'Eigenlijk is het lot van onze zinkflora heel slecht gevolgd', zegt de Utrechtse ecoloog dr. Roland Bobbink. Hij is voorzitter van het deskundigenteam dat vorige zomer een 'Pre-advies voor de Zinkflora' publiceerde, op initiatief van het ministerie van LNV. 'Honderd jaar geleden trof je de zinkflora nog over zo'n 12 kilometer langs de Geul. Nu groeien er alleen nog zinkviooltjes op minder dan een halve hectare in het 'zinkreservaat' van Staatsbosbeheer. Het zink-Engels gras is helemaal verdwenen.'

Volgens Bobbink is de zinkconcentratie in het Geulwater sinds 1980 niet gedaald. Zink komt in de regio van nature veel voor en spoelt vanuit diepere bodemlagen uit naar de rivier. Bovendien wordt het zink, dat langs de oevers neerslaat, steeds weer opgenomen en verder meegenomen door de rivier. 'Met die 'remobilisatie' kun je nog jaren vooruit', zegt Bobbink.

Hij wijt de teloorgang van de zinkflora vooral aan de intensivering van de landbouw tussen 1950 en 1980. 'Veel van die overstromingsgraslanden langs de Geul zijn na de Tweede Wereldoorlog zwaar bemest en bekalkt. In gezelschap van kalk wordt zink een stuk minder giftig. Daardoor verliezen de zinkplanten hun voorsprong op andere planten.'

Zo'n 80 procent van de oeverlanden langs de Geul in Zuid-Limburg is inmiddels aangekocht als natuurreservaat, zodat de weg vrij is om de bodemgesteldheid aan te pakken. Bobbink: 'We gaan nu zelfs verzuringsproeven doen om de kalk te neutraliseren en de oude toestand te herstellen.'

Opmerkelijk is dat ook in het reservaat van Staatsbosbeheer, dat al decennia lang nooit bekalkt en nauwelijks bemest is, de zinkflora achteruitgaat. Bobbink: 'Als herstelmaatregel wordt nu experimenteel geplagd.' Mogelijk verbetert de bodem daarmee, maar er zijn meer manieren om de omgeving geschikter te maken voor de zinkflora. 'Tot nog toe graasde er jongvee om de begroeiing kort te houden, maar dat leidt mogelijk tot vervilting van de bodem. Misschien is maaien beter. En omdat de planten van zon houden, zou je hier en daar hoge populieren, die veel schaduw en bladval geven, kunnen kappen. En het afkalven van de oevers moet worden aangepakt.'

De ecoloog sluit herintroductie van zinkplanten niet uit. 'Met zo'n kunstgreep zou ik geen moeite hebben. Tenslotte zijn die planten ook niet door natuurlijke oorzaken verdwenen. Dit is een heel oude, kenmerkende vegetatie, die bijna nergens in de wereld voorkomt. Die planten willen we niet kwijt.'