Kapstokloos

In het NOS-Journaal zat gisteren een onderwerp over het nieuwe onderkomen in Hilversum van allerlei radio- en tv-nieuwsdiensten van de NOS. Met z'n allen, zo'n 200 mensen, op één zaal, begreep ik. Verslaggeefster Marga van Praag, die de kijker rondleidde, leek er niet gerust op. Dat gold voor meer programmamakers. Hun baas, Hans Laroes, had een donker T-shirt aangetrokken om het personeel zo ontspannen mogelijk tegemoet te treden, maar het leek niet echt te helpen.

Het was misschien niet het belangrijkste nieuwsitem dat Nederland bezighield, maar er zat toch een belangwekkend, zelfs uniek aspect aan, en in dat opzicht mochten we zelfs van een primeur van jewelste spreken: er waren geen kapstokken op kantoor. Het personeel moest zijn jas maar over de stoel hangen. Er stonden wel persoonlijke kluisjes, maar die waren zó klein dat je er hooguit je valse gebit in kwijt kon.

De camera zwenkte snel over de burelen en je zag meteen wat er met zo'n kantoorruimte gebeurt als je er je jas niet kunt ophangen aan een ouderwets knaapje. Het verwordt tot een chaotisch kraakpand waarin iedereen zijn jas, trui en sjaal neerpleurt waar het hem uitkomt. Geen gezicht, maar ongetwijfeld wél een geur, vooral als het buiten overvloedig geregend heeft op al die duffelse winterjassen.

Wat moeten ze bij de NOS nou zeggen als de koningin op bezoek komt? 'Gooit u uw stola maar over de verwarming'?

Als we voortaan Philip Freriks tussen zijn charmante zinswendingen door scherp horen hoesten, terwijl achter hem de nodige stoom optrekt, weten we de oorzaak.

Een kantoor-zonder-kapstokken, het is het trieste eindpunt van een periode in onze beschaving die door een toenemende kapstokloosheid gekenmerkt wordt. In cafés, restaurants, theaterzalen en bioscopen is het vaak (vergeefs) zoeken naar de kapstok. Het gebeurt niet alleen in Nederland, je ziet het ook in het buitenlandse uitgaansleven. De garderobejuffrouwen zijn op straat gezet, terwijl de kaartjes en biertjes alleen maar duurder zijn geworden. Je reinste kapitalisme!

Laatst was ik op bezoek bij de Theatercompagnie (vroeger De Trust), een prominent toneelgezelschap aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam. 'Uw jas?' vroeg een medewerker verbaasd, 'die kunt u ergens naast de bar ophangen.' Dat kon inderdaad, althans, als je bereid was in te calculeren dat een van de vele junks in de omgeving op het voor de hand liggende idee kwam om op zijn gemak een aardige jas uit te zoeken, terwijl jij boven in het gebouw van Shakespeare zat te genieten.

Wat doe je dus? Je neemt je jas maar mee in de hoop dat er naast of voor je een vrije stoel is. Is die er? Ja maar net als de voorstelling begint, en het zaallicht gedempt wordt, vraagt er iemand: 'Is deze nog vrij?' En daar zit je dan, twee uur lang, met een dikke prop op je schoot.

Is dit een ernstige misstand? Ach, ernstiger is de situatie waarin je thuiskomt en je vrouw onverbiddelijk zegt: 'Hou je jas maar aan.' (Ook dit komt steeds vaker voor, is mijn indruk.) Maar lastig is het wél. En een beetje armoeiig vooral.

    • Frits Abrahams