Geloof als winstbejag

Hun uitleg van de islam móést de verdachten in het Hofstadproces vroeg of laat tot een misdrijf brengen. Ook de meelopers hadden dit moeten beseffen, zegt justitie.

Eigenlijk is met de grootste terreurzaak uit de Nederlandse geschiedenis niets nieuws onder de zon, verklaarden gisteren de officieren van justitie K. Plooy en A. van Dam. De 'Hofstadgroep' is gewoon een criminele organisatie. Waar andere criminelen zich laten leiden door winstbejag, is de verspreiding van een radicale islamitische overtuiging het bindmiddel van de 'Hofstadverdachten'.

De verdachten vormden wat justitie betreft een criminele organisatie met terroristisch oogmerk. Misschien hadden ze (nog) geen concrete misdrijven op het oog, hun politieke ideologie maakte het gebruik van geweld op den duur onvermijdelijk. Ze hingen de Takwir wal Hijra aan, 'een antiwesters gedachtegoed dat criminele handelingen tegen ongelovigen en afvalligen goedkeurt'. En net als alle andere organisaties kende de Hofstadgroep ook trendsetters en volgers. Mohammed B., jarenlang door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) beschouwd als een randfiguur, was volgens het openbaar ministerie de inspirator van de groep. Bij afwezigheid van de geestelijk leider Al I. hield hij preken, schreef hij talloze extremistische geschriften. De andere leidersfiguren waren volgens justitie Jason W. en Ismael A. Die gooiden op 10 november 2004 bij de belegering van hun woning in het Haagse Laakkwartrier handgranaten naar politiemensen. Vijf leden van het arrestatieteam raakten gewond. Ook zij wilden, zeiden de officieren van justitie gisteren, een martelaarsdood sterven door politiekogels. Een andere leider was Noureddine El F., die afgelopen zomer met een schietklaar machinepistool werd aangehouden.

Maar hoe zit het met de rest, het gros van de verdachten? Deelnemers, volgens justitie. Misschien wilden ze zelf geen misdrijven plegen in naam van hun ideologie, maar doordat ze geen afstand namen van de groep hebben ze feitelijk de organisatie gesteund en zich daarmee schuldig gemaakt.

Plooy probeerde aan de hand van een verhaal over een imaginair groepslid duidelijk te maken wat justitie het gros van de verdachten verwijt. 'Stel, iemand behoort tot een groep personen die een 'organisatie' vormen,' begon Plooy. Plooys fictieve persoon is ook zoekende, zoals veel verdachten zich hebben afgeschilderd tijdens het proces. Hij woont bijeenkomsten bij waar uitleg wordt gegeven van een radicaal-politieke ideologie die het plegen van misdrijven goedkeurt, aanmoedigt en zelfs verplicht stelt. Binnen de groep gaan cassettebandjes met zo'n boodschap en gewelddadige films van hand tot hand. 'Voor de eigen ontwikkeling en ter verdere verspreiding.' De persoon van Plooy ziet dit alles gebeuren, kijkt de kat uit de boom. Ook als enkele van de groepsleden worden aangehouden wegens terrorisme en ze door gebrek aan bewijs op dat moment weer worden vrijgelaten.

De fictieve deelnemer in dit korte verhaaltje is volgens de officieren nu al meerdere malen in de fout gegaan. Van zo'n persoon mag enig 'besef van verantwoordelijkheid' worden verwacht, vinden de officieren. De persoon had moeten beseffen dat deze groep gevaarlijk bezig was of kon zijn en had zich moeten distantiëren. Als hij ook na de aanhoudingen nalaat afstand te nemen, ondersteunt hij de groep, ook al heeft hij zelf niet de intentie de wet te overtreden.

In het fictieve verhaal van de officieren had advocaat Plasman makkelijk zijn cliënt Rachid B. kunnen herkennen als hij bleef luisteren naar het requisitoir. Kort nadat de officieren van justitie waren begonnen aan hun betoog stapte Plasman, ook de raadsman van Mohammed B., weer op zijn scooter om terug te rijden naar zijn kantoor.

Rachid B., een jeugdvriend van Mohammed B. werd na de moord op Theo van Gogh ook aangehouden. Hij woonde de huiskamerbijeenkomsten bij en bezat op zijn eigen computer extremistisch materiaal, gekregen van de tot levenslang veroordeelde moordenaar van de filmmaker. 'Ik was zoekende,' zei Rachid B. tijdens het Hofstadproces. In de rechtszaal nam hij openlijk afstand van de denkbeelden van zijn vriend, waarna de rechters hem vrijlieten.

De officieren maken een 'gigantische move', zegt Plasman de volgende dag. Ze zeggen, vertelt Plasman, dat de kernleden wisten waar ze mee bezig waren en dat de bijfiguren dat ook hadden moeten weten. Door artikel 140, dat bepaalt wat een criminele organisatie is, zo ruim uit te leggen, proberen de officieren de zaak tegen de mindere verdachten te redden. Plasman: 'Weten is weten en niet hadden moeten weten.'

    • Ahmet Olgun