De groeipijn van Luanda na de oorlog

Krottenwijken in de Angolese hoofdstad Luanda gaan tegen de grond om plaats te maken voor villa's voor de rijken. De bewoners ontbreekt het aan rechten. 'Als je te primitief bent om in de grote stad te wonen, ga dan terug naar je hut op het platteland.'

Waar konden ze anders heen dan naar Luanda, de hoofdstad van Angola, de enige plek die vrijwel ongeschonden bleef tijdens de 27 jaar burgeroorlog om de diamanten, de olie en de macht? Ze waren boeren, die niets meer te boeren hadden op het platteland van provincies als Moxico, Kuando Kubango of Bié. Daar veranderden de plantages voor koffie, suiker en maïs in mijnenvelden.

Waar konden ze anders heen dan naar Cambamba, de musseque, een wijk in het zuiden van de stad, gebouwd van cementblokken, golfplaten, plastic en wrakhout? Vijf jaar geleden streek Manuel Antonio Gamas hier neer in de hoop op een beter leven. Zie Cambamba nu eens. De huizen zijn met de grond gelijk gemaakt, de kraampjes voor vis, batterijen en bakolie omver getrokken en vertrapt. Cambamba ging twee maanden geleden tegen de vlakte, zonder uitleg, zonder waarschuwing vooraf. Zeshonderd families dakloos.

'De politie zei dat we niets waren', zegt Gamas met zijn tandenloze mond. 'Ze zei dat we geen echte mensen waren. Ze zei dat onze stem toch niets waard was.' De boeren slapen nu onder de blote hemel.

Zo gaat dat in Angola na de oorlog. Volgende week is het precies vier jaar geleden dat Jonas Savimbi, leider van de Unita-rebellen, met 19 kogels om het leven werd gebracht. De oorlog die 500.000 mensen het leven kostte, kwam abrupt tot stilstand.

De jarenlange strijd heeft de hoofdstad opgezadeld met ondraaglijke groeipijnen. Luanda werd pleisterplaats voor ten minste vijf miljoen inwoners, meest vluchtelingen in eigen land. Met een infrastructuur gebouwd voor slechts een half miljoen.

Sinds het uitbreken van de vrede komen er dagelijks vliegtuigladingen nieuwe gelukzoekers bij, nu van de chique soort. Texaanse oliebaronnen, Zuid-Afrikaanse diamantgravers, Chinese projectontwikkelaars, die allemaal mee willen profiteren van de economie die dit jaar met 20 procent belooft te groeien. In een stad die ligt ingeklemd tussen de Kwanza-rivier in het zuiden, moerasgronden in het noorden, en de Atlantische Oceaan in het westen kun je alleen nog bouwen door te slopen.

Het luxe bouwproject waar Cambamba voor moest wijken, heet Nova Vida: nieuw leven. Witte en roze villa's met gekrulde dakpannen, zoals oud-kolonisator Portugal ze gebouwd zou hebben. Alleen voor welgestelden.

Luis Aroujo vindt dat alles cynisch. 'De geschiedenis herhaalt zich. Deze stad is gebouwd op gestolen grond. De bandieten kunnen nog steeds hun gang gaan.' Met die bandieten bedoelt hij de MPLA-regering van president José Eduardo Dos Santos, die hem in november opsloot met twaalf anderen die zich tegen de gedwongen uitzettingen in Cambamba durfden te verzetten. Arouja werkt voor de organisatie SOS Habitat. Hij noemt zichzelf 'professionele activist'.

Als hij spreekt, luistert een man aandachtig mee. 'Veiligheidsdienst', legt Aroujo uit en richt zich tot de roerloze man. 'Wat moet je? Ga eens weg.' Ook dat is nieuw in Angola. Net als tijdens de oorlog worden oproerkraaiers afgeluisterd. Maar tegenwoordig kunnen ze er tenminste straffeloos over klagen.

De sloop van Cambamba staat niet op zich. Andere wijken met even dromerige namen gingen op dezelfde manier tegen de vlakte. Benfica. Soba Kapassa. Boavista. Het was voor de bestwil van de tienduizend krottenbewoners, verdedigde de regering zich destijds. Aardverschuivingen in de wijk zouden een gevaar zijn voor de veiligheid van de bewoners. Dat argument werd ongeloofwaardig toen bleek dat de president in Boavista een nieuwe villa wilde bouwen, waarvan het uitzicht op de baai van Luanda inmiddels adembenemend is.

Volgens de gouverneur van Luanda, Job Kapapinha, is het een kwestie van mentaliteit. 'Mensen met koeien in hun huis, dat kan toch niet?', raast hij op deze zweterige middag in het gemeenschapshuis van de Angolese hoofdstad. 'Juntos por uma Luanda Melhor', leest het spandoek boven zijn hoofd: Samen voor een beter Luanda. 'Mensen die hun huis bovenop dat van een ander bouwen, dat kan toch niet?' Nog voordat de zaal antwoord heeft kunnen geven, zegt hij: 'Als je te primitief bent om in de grote stad te wonen, ga dan terug naar je hut op het platteland. Of niet soms?'

De bewoners van de musseques kunnen zich daar niet tegen verdedigen. Volgens een schatting van de Verenigde Naties beschikt tachtig tot negentig procent van de bevolking van Luanda niet over een geldig eigendomsdocument. Dat

betekent niet alleen dat de bulldozer ieder moment voor de deur kan staan. Zonder eigendomsrecht en zonder onderpand is een lening bij een bank onmogelijk. In die armoedefuik ziten niet alleen de armen van Angola, maar van het hele continent.

'Eigendomsrechten zijn er alleen voor een kleine elite', zegt Pacheco Illinga, onderzoeker bij de Development Workshop, een organisatie die juist een boek publiceerde over landrechten in Angola. 'Je moet lid zijn van de juiste partij.' Dat is een erfenis van het Portugese regime, dat landrechten exclusief voor de blanken hield, en voor 'aangepaste' Angolezen, de assimilados. Alleen zij mochten in de stenen stad aan de baai wonen, met stromend water en elektriciteit. De rest moest zichzelf zien te redden met de zanderige vlakten rond de koloniale stad.

Een nieuwe landwet die in 2004 werd aangenomen zou een einde moeten maken aan de wildgroei van Luanda. Maar slechts een enkeling kent de wet, begrijpt de wet of voert hem uit. 'Deze regering plant niet, maar reageert vooral', zegt Illinga.

Soms pakt die reactie goed uit. De bewoners van Boavista die twee jaar lang in tenten woonden veertig kilometer buiten de stad, kregen onlangs stenen huizen toegewezen. 'Er zijn ambtenaren die beginnen te begrijpen dat het volk en de regering niet per se vijanden zijn.' In Angola is dat vooruitgang.