Zitten te lopen

Wij rijke westerlingen zitten meer dan ooit tevoren. Veel mensen zitten de hele dag achter hun pc - of ervoor, het is maar hoe je het bekijkt. Vervolgens gaan ze in hun auto zitten om thuis voor de buis te gaan zitten.

Westerse kinderen zitten ook megaveel. Achter de pc, achter de Playstation - het houdt niet op.

Al dat zitten heeft verschillende gevolgen - overgewicht, rugklachten - maar heeft het ook een taalkundig effect? Anders gezegd: is het Grote Zitten ook doorgedrongen in onze taal?

Ik kom daarop door een eigenaardigheid in het taalgebruik van mijn jongste zoon(tje), die nu negen is. Ik hoor het bij hem en ik hoor het bij zijn vriendjes: het overdadige gebruik van het werkwoord zitten.

Een paar voorbeelden: 'Ik zat net te lopen naar school, toen...', 'Ik zit het net aan het zoeken', 'Wat zit jij eigenlijk aan het doen?', 'Half tien al? Dan zou je eigenlijk al aan het slapen zitten', 'Wil je die natte handdoek van de grond halen!', 'Ja, ja, ik zit het net aan het doen!'

Dit is een kleine greep - ik zou veel meer voorbeelden kunnen geven. Dagelijks horen wij hier het werkwoord zitten, waar het bijvoorbeeld zijn of hebben zou moeten zijn.

Of dit echt een nieuw verschijnsel is, weet ik niet. Ik heb drie kinderen, maar dit is de eerste die - taalkundig gezien - alles het liefst zittend doet: lopen, zoeken, slapen, dingen oprapen. En, zoals gezegd, ik hoor het ook bij zijn leeftijdgenoten.

Wat ik bij volwassenen al langer tegenkom is zitten te denken. Je kunt rustig zeggen 'ik zit te denken aan', zonder dat je daar werkelijk bij zit. Op internet komt de woordcombinatie zit te denken ruim 284.000 maal voor - veel vaker dan lopen te denken. Ik heb overigens de indruk dat zitten te denken een eufemistische constructie is. 'Ik zit te denken om voor mezelf een boekje te gaan laten printen', zoals iemand op een website schrijft, is veel minder direct dan 'Ik denk dat ik voor mezelf een boekje laat printen' - en veel mensen zijn liever niet al te direct.

Stel dat het klopt dat het werkwoord zitten vaker wordt gebruikt doordat we meer zijn gaan zitten, was er dan ook een tijd dat bijvoorbeeld lopen vaker en oneigenlijk werd gebruikt? Ik heb daar slechts één voorbeeld van, veel te weinig om iets te bewijzen, maar wel intrigerend. In het prachtige boek Op het dievenpad. Verhalen uit het leven van een Amsterdamschen rechercheur, in 1907 gepubliceerd door Jan Feith, zegt een Amsterdamse volksvrouw, als in de wachtkamer van een kwakzalver kwalen worden uitgewisseld: 'Ik heb 't gehad met m'n jongetje, toen die nog klein was en die op sterreve liep van de zinspelingen door z'n heele lijf.' Hier lezen we, in een tijd dat lopen nog de belangrijkste manier van verplaatsing was, op sterven lopen, waar je op sterven liggen zou verwachten.

Veel helderder dan de relatie tussen welvaart en het gebruik van werkwoorden als zitten en lopen, is het verband tussen technische ontwikkelingen en taal. Voor de uitvinding van de fiets zei niemand: wat heb ik nou aan mijn fiets hangen? Op stoom liggen, hij kwam met een sneltreinvaart aanhollen, het begint lopendebandwerk te worden, een fotografisch geheugen, op de automatische piloot, als een raket, dat kan mijn harde schijf niet bevatten - aan de hand van dit soort woorden en uitdrukkingen zou je de geschiedenis van een beschaving kunnen gaan zitten te schrijven.

Reacties naar sanders@nrc.nl

    • Ewoud Sanders