Zonder kritiek wordt niemand groot - tegen het romantische beeld van poëzie

Aan de vooravond van gedichtendag (26 januari) een pleidooi voor het serieus nemen van podium- en internetpoëzie, zelfs al is die (nog) niet zo sterk. De poëziekritiek moet haar opvoedende taak ook daar uitoefenen.

Poetry-slam (poëzievoordrachtwedstrijd) in de Stadsschouwburg in Arnhem (Foto Flip Fransen) Nederland, Arnhem 2002 Poetry slam Foto: Flip Franssen, NVF, 024-3238442 Franssen, Flip

Echte revoluties in de literatuur worden niet door dichters ontketend. Ze worden veroorzaakt door technologische en economische veranderingen in de wereld van de cultuur. Opkomst en ondergang van de hofcultuur en het mecenaat; de uitvinding van de boekdrukkunst; de stijging van het opleidingsniveau van de burgerij; de uitvinding van goedkope productietechnieken van boeken - dát zijn de echte ankerpunten in de literatuurgeschiedenis; niet Vondels bekering; het overlijden van Bilderdijk; Kloos' inleiding op de gedichten van Perk; de ruzie tussen Nijhoff en Du Perron of de verschijning van de bundel Atonaal.

Hans Magnus Enzensberger had dit goed begrepen toen hij in 1962 een beroemd geworden essay over de productie van pocketboeken schreef. De prijsdaling van het boek, die de techniek mogelijk had gemaakt, leidde tot enorme vergroting van de afzetmarkt, waardoor het boekenvak een industrie kon worden waarin geen literaire, maar economische wetten golden. Met alle gevolgen van dien. “Nog voordat de succesvolle auteur de eerste pagina in zijn machine draait“, schreef Enzensberger, “is er al van alle kanten beschikt over zijn werk. Voorpublicatie- en vertaalrechten, uittreksels voor Readers Digest, herdrukken voor boekenclubs en pocketboeklicenties worden gepland nog voordat de eerste regel op papier staat.“

De rol van de literaire kritiek werd er dus niet groter op in de jaren zestig. Het was de nieuwe kaste van literaire makelaars die ging bepalen wat gelezen werd, niet de kritiek. Bovendien: dát deel van de boekproductie dat zich (in de vorm van goedkope pockets met herdrukken) richtte op het nieuwe publiek, onttrok zich geheel aan het zicht van de literaire kritiek, die zich van oudsher nu eenmaal op het nieuwste van het nieuwste richt. Met andere woorden: wanneer literatuur in de jaren zestig een zaak van het grote publiek lijkt te worden, blijkt dat de kritiek niet de rol van publieksvoorlichting op zich neemt.

De poëziekritiek, zo luidt in het verlengde hiervan mijn stelling, heeft zichzelf buitenspel laten zetten. Er is sinds 1962 al bijna een halve eeuw verstreken, en nog steeds heeft de kritiek geen serieus antwoord op de massificatie van de literatuur. Ik ben zelfs bang dat zij de aansluiting met de leescultuur van vandaag volledig kwijt is. Zeker met de cultuur van jonge lezers, voor wie de kritiek toch óók bedoeld is, zoekende als zij zijn op het gebied van literaire voorkeuren en afkeren.

Wat is er in de poëzie van nu aan de hand? We zien een andere soort dichters en een andere soort lezers dan we in de 19de en 20ste eeuw gewend waren; dichters die door de kritiek niet besproken worden en lezers op wie de kritiek zich niet richt. Tegelijk is de uitstraling van wat de “officiële literatuur' heette drastisch verminderd. Niet omdat, zoals vaak wordt beweerd, er geen aandacht meer zou zijn voor literatuur of poëzie in de kranten, maar omdat er met de enorme toename van de aandacht voor allerlei vormen van cultuur in allerlei media steeds meer niches ontstaan die almaar minder “zichtbaar' zijn in het uitdijende openbare domein zonder centrum. Het literaire landschap raakt verkaveld. Met meer dan 100 bundels per jaar is de poëzie opgedeeld geraakt in allerlei gemeenschappen die niet noodzakelijkerwijs contact met elkaar hebben of kennisnemen van elkaars activiteiten.

Het romantische beeld van wat poëzie is, is niet zaligmakend meer. Kon de dichter, eenmaal opgenomen in de literaire kring, twee eeuwen lang rekenen op de uitgelezen belangstelling van precies de goeie lezers - die lezers die de Republiek der Letteren als hún wereld beschouwden en er de dienst uitmaakten - daar spreekt de dichter van nu voor zijn eigen marktsegment. Van cultuurdrager met nationale uitstraling tot kramer op een plaatselijke markt: ziedaar de ontwikkeling van het dichterschap sinds 1950. De lezer maakte tezelfdertijd een vergelijkbare ontwikkeling door: van connaisseur tot consument. Mij dunkt dat dit aardverschuivingen zijn waarmee we in de literatuurkritiek iets moeten.

Maar we willen het niet weten. Wij literatuurliefhebbers zijn nostalgische mensen. Schrijven en lezen zijn voor ons geneugten die maar beter niet veranderd kunnen worden. Als je een afspraak met ons maakt, pakken we onze vulpen om daarmee een notitie te maken in onze mooie kalfslederen Filofax agenda met een vulling van lichtgeel papier de Hollande (de Palmtop is in onze wereld nog maar nauwelijks doorgedrongen). Het valt ons moeilijk de schrijfdaad te verbinden met elektronica zonder schrift, zoals ook een mooi gebonden dundrukdeel voor ons in principe meer leesgenot genereert dan een pocket of een website. Lezen is en blijft iets dat je bij voorkeur doet in de kalme beslotenheid van de huiskamer, onder het licht van een leeslamp. De ultieme leeservaring is dat je de tijd en je omgeving volkomen vergeet, en zulks vereist stilte en concentratie. En zitvlees: het boek moet van a tot z gelezen, als een organisch geheel waarin elk detail van belang is.

Nu ken ik vanuit mijn beroepspraktijk nogal wat jonge mensen die geacht worden veel te lezen. Je moet wel stekeblind zijn, wil je in hun gezelschap niet zien dat de romantische, aan het eind van de 18de eeuw ontstane, leeslampcultuur niet meer bestaat. Mijn studenten lezen inderdaad de hele dag, maar op een heel andere manier. Ze lezen vooral rommelig. Of, als je het graag negatief wil stellen: zonder geduld. Het is geen automatisme een lang krantenartikel helemaal uit te lezen, want tijdens het lezen klinkt altijd wel een paar keer het bliepje van de mail of van de sms; staat de radio aan en teletekst; wordt er even iets gegoogled, et cetera. Lezen is voor hen nagenoeg altijd onderdeel van een meervoudig, hiërarchieloos en niet-lineair proces waarin de lezer meerdere teksten en tekstsoorten tegelijk tot zich neemt. Dit betekent dat studenten vooral fragmenten lezen. Fragmenten die ze vervolgens verbinden tot een eigen tekst; al knippend en plakkend uit veel verschillende (soorten) bronnen zijn jonge lezers van nu graag zélf de auteur van de tekst die ze lezen. Mijn studenten zijn meesters van de compilatie, meesters van de dialogische tekst.

In dit fragmentarisch leesgedrag worden de begrenzingen van genres en vormen doorgaans irrelevant geacht. Over de grenzen van media heen grasduinen mijn studenten in literatuur, films, beeldende kunst, video-art et cetera. In een doorsnee eerstejaarscollege poëzieanalyse levert dit uiteraard wel eens problemen op. Er is weinig leukers dan met studenten poëzie lezen, zeker als ze wat gevorderd raken, maar dat neemt niet weg dat het mij steeds moeilijker valt de lege ogen te negeren die me in de eerste weken van zo'n cursus aanstaren. Hoe ik ook mijn best doe, het enthousiasme dat ik bij mijn studenten weet te wekken, is vaak het enthousiasme van de bezoeker van het museum voor oudheden: zodra die bezoeker weer buiten staat, ervaart hij dat als thuiskomen in zijn eigen wereld. Ook studenten Nederlands zijn volkomen vervreemd geraakt van wat ik maar de klassieke wereld van de poëzie zal noemen.

Niets is makkelijker dan naar aanleiding hiervan klaagzangen aan te heffen over het Nederlandse onderwijs, over de teloorgang van het lezen, het studiehuis en wat niet al. Ik kies voor een andere strategie. In mijn vak zal het een en ander gaan veranderen, want als letterenstudenten blijven denken dat de literatuur iets is dat zich in een ándere wereld afspeelt, dan is de kans erg klein dat zij in hun toekomstige beroepspraktijk (bijvoorbeeld die van leraar) iets gaan doen met, bijvoorbeeld, poëzie. Wat cursussen in de klassieke poëzieanalyse doen, is goed en blijvend relevant, maar het is niet meer genoeg.

In de poëziekritiek constateer ik een zelfde kloof tussen wat er van bevoegde zijde (de kritiek) geboden wordt en de belevingswereld van het minder bevoegde publiek. De poëziecritici die op het moment in landelijke kwaliteitskranten schrijven zijn zonder meer capabel: zij zijn belezen, hebben een scherp analytisch oog en zijn versgevoelig. Vanuit die competenties houden zij een op zichzelf zeer waardevol bedrijf gaande: het bespreken van een bepaald soort bundel uit een bepaalde traditie. Die traditie zou je de traditie van de autonomie kunnen noemen: de bundels verschijnen en functioneren in een sociale omgeving die bewust los staat van de maatschappij en haar voornamelijk economische ordeningsprincipes. Een besloten wereld waarin een strikt literaire hiërarchie geldt. Kees Ouwens, Eva Gerlach, Anneke Brassinga, Tonnus Oosterhoff en Arjen Duinker zijn belangrijke dichters, ook al hebben ze een klein publiek. Waar het in de logica van het autonome veld om gaat is dat ze een belangrijk publiek hebben. Een publiek dat bijvoorbeeld statige poëzieprijzen verdeelt en recensies schrijft in de landelijke pers.

Nu ben ik net als veel doorgewinterde poëzielezers van mening dat Ouwens, Gerlach, Brassinga, Oosterhoff en Duinker inderdaad belangrijke dichters zijn. De vraag is echter wat we met die constatering doen. Op het moment is het zo dat de status van zulke dichters binnen het autonome domein van de poëziekritiek al van tevoren vast staat. Of ze nou positief of negatief besproken worden, ze worden besproken. Omdat ze er nu eenmaal bij horen; de vorige keer ook besproken werden; bij een traditierijk uitgevershuis verschijnen De poëziekritiek geeft zich onvoldoende rekenschap van het feit dat zij niet meer met hetzelfde gezag spreekt als pakweg vijftig jaar geleden. Tussen de vele niches waarin de poëzie van de laatste decennia opgedeeld is geraakt, is het prestigieuze circuit van de “echte' uitgeverijen en de “officiële' kritiek zijn vanzelfsprekende primaat kwijtgeraakt. Dat is het eerste probleem van de huidige poëziekritiek: door niet mee te veranderen met de gedemocratiseerde literaire cultuur is zij een esoterisch anachronisme geworden. Zij meet zich een aura aan dat, buiten de kring van belanghebbenden, geen lezer meer (h)erkent.

Een tweede probleem zit 'm in de beperktheid van de huidige poëziekritiek. De nieuwe lezers, op wie de kritiek zich zou moeten richten, zoeken hun culturele impulsen in de grensgebieden tussen de genres en vormen. Jonge lezers, voor wie genres en vormen gelijkwaardig en compatibel zijn, houden geen halt bij de literatuur of de poëzie. En zo heel vreemd is dat natuurlijk niet. Is het geen teken aan de wand dat zo veel moderne schrijvers die zich echt op het scherpst van de snede met de wereld wilden bemoeien, overhoop lagen met de grenzen van hun genres en medium? Multatuli worstelde met de roman, Van Ostaijen met de typografie, Lucebert met de begrenzing tussen taal en muziek, en Tonnus Oosterhoff met de gefixeerdheid van het gedrukte woord. In alle kunsten is gedurende de twintigste eeuw een uittocht van kunstenaars uit het disciplinaire centrum waar te nemen. Men zoekt nieuwe impulsen bij de andere disciplines.

En nou denk ik even terug aan de lege blikken van mijn studenten. Goeie studenten, nieuwsgierige studenten ook. Zou het niet zo zijn dat zij, als meest betrokkenen bij de levende literatuur van vandaag, eigenlijk niet meer zo gek veel te verwachten hebben van klassieke genres als dat van de roman of de dichtbundel? Ligt het niet voor de hand dat ze hun heil ergens anders gaan zoeken, op plaatsen waar conventies en discoursen met elkaar botsen, bijvoorbeeld daar waar poëzie en performance elkaar raken, tekst en bewegend beeld, en in diezelfde elektronische omgeving zelfs schrijven en lezen.

Ik ben bang dat de poëziekritiek voor de jonge lezers van dit moment nauwelijks een gids is. Anders dan hun publiek vatten critici de bundels die ze bespreken steevast op als nieuwe bijdragen aan de monodisciplinaire geschiedenis van de poëzie. Een geschiedenis die, hoe rijk en fascinerend ook, op scholen niet meer onderwezen wordt en die derhalve voor jonge lezers geen referentiekader is.

Wil de poëziekritiek haar zelfgenoegzaamheid van zich afwerpen, dan zal zij zich óók moeten gaan richten op allerlei interdisciplinaire cross-overs waaraan dichters meedoen. De weerzin daartegen is tot op heden erg groot en dat is ook wel begrijpelijk, want het niveau van wat er bijvoorbeeld op poëziepodia en op internet gebeurt, is nog vreselijk divers en over de hele linie niet zo best. Maar ook dat is de kritiek in zekere zin aan te rekenen, want de verklaring van de geringe progressie die door voordragende en op internet publicerende dichters wordt geboekt, is nu juist dat er in die laagdrempelige echelons op dit moment nog geen strenge en competente kritiek bestaat.

Zonder kritiek wordt niemand groot. Talent voelt zich niet aangetrokken tot een wereld waarin de goeden zich niet van de slechten kunnen onderscheiden. Het gevolg is dat de sterkere dichters in deze circuits ophouden zich ermee te afficheren zodra de “echte' kritiek (dat is dus: de traditionele kritiek) ze via de omweg van een niet onaardige bundel serieus lijkt te gaan nemen. De vernieuwing komt op deze fronten dus niet van de grond, en voor redacties die de poëziekritiek serieus willen nemen ligt hier een belangrijke taak: zoek ernstige, kritische en capabele geesten die de poëzie in haar evolutie willen volgen en haar daar van serieuze kritiek gaan voorzien.

Wie nu op de oude manier naar poëzie kijkt, loopt het risico weg te kijken van de échte revolutie, die immers niet door dichters is ontketend. Wat de poëziekritiek doet, is goed en blijvend relevant, maar niet meer genoeg. Wil zij zich in de gedemocratiseerde cultuur van vandaag uit haar buitenspelpositie bevrijden, dan moet zij zich óók nieuwsgierig en onderzoekend op nieuwe terreinen gaan begeven. De poëzie vraagt erom, maar zeker ook de jonge lezers die zich haar met recht proberen toe te eigenen.

dinsdag op opinie: Maarten Doorman reageert

Hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Publiceerde samen met Jos Joosten “Het postmodernisme in de Nederlandse en Vlaamse poëzie'.