Voor het klikken de klas uit

Wat een gevoel! Heel Den Haag ligt aan je voeten. Iedereen kijkt naar je op. Ik moet zeggen, het uitzicht van de vijftiende verdieping van de kantoortoren van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is adembenemend.

Ik verkeerde daar sowieso in hogere sferen, want de gelegenheid was de feestelijke opening van een bronzen portrettengalerij van alle Nederlandse Nobelprijswinnaars, dit in aanwezigheid van de vier jongste laureaten. Het was een eer om bij deze gelegenheid kort mijn Doktorvater en Doktorgroßvater Gerard 't Hooft en Martinus Veltman te mogen toespreken. De bijeenkomst was een welverdiende, hoewel misschien wat late, erkenning van de uitzonderlijke prestaties en rijke traditie van de Nederlandse wetenschap. (In het bijzonder van de natuurkunde, kan ik niet nalaten op te merken. Negen van de vijftien bronzen zijn fysici en zelfs de econoom Tinbergen promoveerde in de natuurkunde.)

Het duizelde mij even, toen ik later op die dag van de Haagse Olympus afdaalde en weer met beide benen op de grond stond om voor een groep docenten te spreken over het rekenonderwijs op de basisscholen. Dat lijkt misschien een grote stap voor een bureaucraat, maar is een kleine stap voor een onderzoeker. Beide werelden zijn verbonden met een rode draad: liefde voor het vak. Of je nu rekent met kleine deeltjes of met kleine kinderen, het zijn dezelfde getallen en het is eenzelfde bevlogenheid.

Onderwijs en onderzoek, op alle niveaus, zijn verbonden in één organisch geheel. In vroegere tijden was de stap van leraar naar hoogleraar lang niet zo groot. Nobelprijswinnaar Johannes van der Waals was lange tijd leraar aan de hbs, voordat hij aan de Universiteit van Amsterdam werd benoemd. Zelf werd ik enorm geïnspireerd door mijn leraren op de middelbare school. De natuurkundeleraar had na zijn promotie nog in het Niels Bohr-instituut gewerkt. De biologieleraar organiseerde expedities naar de Noordelijke IJszee en zat tijdens de schriftelijke overhoringen met Oost-Indische inkt illustraties van zijn proefschrift te tekenen. En mijn leraar Grieks was een egyptoloog, die beelden van een Indiana-Jones-avant-la-lettre opriep en mij ooit nog een beginnerscursus hiërogliefen te leen gaf.

Maar op dit moment is de romantiek van het leraarschap ver te zoeken. Veel hooggekwalificeerde leraren gaan binnenkort met pensioen. Vakkennis wordt steeds minder gewaardeerd en weggedrukt door pedagogiek en management. Het is allang niet meer vanzelfsprekend dat bevlogenheid voor het vak ook een goede carrière waarborgt. Een eerstegraadsbevoegdheid is niet langer een garantie voor een salaris in de hogere schalen, zodat vaak de stap naar het management de enige mogelijkheid voor een docent is om meer prestige en inkomen te krijgen. Een paradox: de wereld wordt steeds ingewikkelder, maar we lijken er steeds minder van te hoeven weten. Wordt onze kenniseconomie een kennismakingseconomie?

De zich overal terugtrekkende overheid versterkt dit effect. Moedertje Verzorgingsstaat slaat de warme deken terug om haar doezelende burgers wakker te schudden. In het onderwijs vertaalt zich dat in grotere autonomie voor de scholen, zowel inhoudelijk als financieel, opdat zij zich ten opzichte van elkaar kunnen profileren. Allemaal meer werk voor de schoolmanagers.

Ook in het publieke debat speelt onderwijs een vreemde rol. De politiek stelt zich vaak op als de spreekwoordelijke pompier pyromane, de vrijwillige brandweerman die door hem zelf aangestoken binnenbrandjes blust. Ook de media doen graag aan deze verwarring mee door nog meer olie op het vuur te gooien in verhitte discussies over het studiehuis, de tweede fase, het nieuwe leren of de (ontoe)rekenkunsten van pabo-studenten.

Zo is er de afgelopen jaren veel gezegd en geschreven over de positie van de bètavakken. Deze problematiek staat weer (even) in de belangstelling omdat er op 26 januari een Kamerdebat is over de ingrijpende veranderingen voor havo en vwo die volgend jaar moeten ingaan. Die plannen zijn ontstaan als een gebrekkig compromis na lang touwtrekken tussen vele partijen. De bètavakken zijn daar ongelukkig uitgekomen, omdat het aantal lesuren behoorlijk omlaag gaat, zoals nu ook studenten tot hun schrik ontdekt hebben.

Dat blijft jammer, want juist in de bètawetenschappen heeft een docent die tijd hard nodig om het punt te bereiken dat ik graag het “klikmoment' noem. Je worstelt met de stof, het lijkt alleen maar onduidelijker en ingewikkelder te worden, en dan opeens “klik' passen de puzzelstukjes in elkaar en wordt het idee duidelijk. Zo'n scherpe overgang tussen onbegrip en begrip is typisch voor de exacte vakken. Het is eeuwig zonde als door gebrek aan tijd dit moment niet bereikt kan worden, als de kinderen zogezegd voor het klikken de klas uit moeten. Een beetje kennis werkt dan alleen maar verwarrend en demotiverend.

Al de protestacties van boze bèta's van de afgelopen tijd hebben gelukkig wel één positief effect gehad. Op dit moment zijn alle exacte vakken zich ingrijpend aan het vernieuwen. Er komt zelfs een heel nieuw vak dat de samenhang van de natuurwetenschappen en techniek zal moeten laten zien. Dat was allemaal hoog tijd, want het onderwijs holt achter de razendsnelle ontwikkelingen in onderzoek en maatschappij aan. Die achterstand geeft soms aanleiding tot onzuivere discussies. Dan worden denkbeeldige biologen, die met vlindernetjes door de wei huppelen, uitgespeeld tegen even denkbeeldige natuurkundigen, die druk met katrollen en hefbomen in de weer zijn. Maar in de echte wereld doen ze samen onderzoek aan moleculaire katrollen die DNA-strengen opwinden. De disciplines raken steeds inniger verweven. Zo weet u misschien niet dat het befaamde natuurkundige laboratorium van Philips zich in de toekomst gaat concentreren op het thema gezondheid.

Als lid van zo'n vernieuwingscommissie ontmoet ik veel enthousiaste leraren, die niets liever willen dan dit nieuwe onderwijs ontwikkelen. Want wat is er mooier dan met de inhoud van je vak bezig te zijn? Dát is toch de reden waarom je in de eerste plaats voor het onderwijs kiest. Maar dan moeten die leraren wél van hun directie de ruimte krijgen om in hun kennis te investeren. En hier ligt volgens mij een duidelijke taak voor de centrale overheid.

Wij hebben thuis een onderhoudscontract voor de centrale verwarming. Een keer per jaar wordt die goed nagekeken en worden verouderde onderdelen vervangen. Waarom wordt leraren niet een soortgelijk contract aangeboden, waarbij ze ieder jaar op universiteit of hogeschool hun vakkennis kunnen, nee moeten, opfrissen? Dan kunnen ze in het klaslokaal actuele onderwerpen behandelen en laten zien dat hun vak geen afgesloten hoofdstuk is. Zo'n onderhoudscontract zou ook goed zijn voor de universiteiten, die in het verleden een enorme fout hebben begaan, toen zij de lerarenopleidingen grotendeels hebben losgelaten.

Maar het is frustrerend dat dergelijke vernieuwingen veel tijd vergen en dat we eerst nog even bergafwaarts gaan, voordat zich een nieuw perspectief zal aanbieden. Ik mag blij zijn als mijn dochtertje van vijf nog op de middelbare school zit, als al die dromen van nieuwe onderwijsprogramma's eindelijk realiteit zijn.

Er kwam nog een associatie bij mij op, toen ik op de bovenste verdieping van het ministerie van het uitzicht genoot: de brug van een reusachtig schip. Sturen aan onderwijs heeft wel iets van sturen aan een mammoettanker. Daar kan je ook heel vrolijk aan het roer draaien, zonder dat er iets lijkt te gebeuren. Pas veel later gaat de steven draaien, maar wel onherroepelijk. Ondertussen komen ook nog allerlei loodsen aan boord, die allang weer aan wal staan als de gevolgen van hun stuurmansadviezen zichtbaar zijn geworden. Ik benijd de kapitein en de bemanning van het schip van OCW daarom niet. Want als het schip eenmaal verkeerd gedraaid is, duurt het weer lang, heel erg lang, om weer op koers te komen, zelfs als in de verte een ijsberg opdoemt.