Rammelend pedagogisch betoog van Offermans

Het pedagogische betoog van Cyrille Offermans rammelt. Eerst neemt hij het – mij sympathieke, maar dat terzijde – standpunt in dat culturele kennis nodig en gewenst is in de opvoeding, om „zinvolle vragen te stellen en gericht te [kunnen] zoeken“ (Opinie & Debat 6 maart 2004).

Vervolgens ondergraaft hij zijn stelling door te poneren dat een (literaire) canon „niet van deze tijd“ zou zijn en dat daarmee, wegens de deplorabele staat van het huidige culturele onderwijsaanbod, „nog niets gewonnen“ zou zijn (Opinie & Debat 10 september 2005). Om in zijn laatste artikel (Opinie & Debat 14 januari 2006) zijn visie in nog meer duisternis te hullen door zich Rousseau ten voorbeeld te houden bij problemen als ongemanierdheid en verveling. Volgens deze visie ontwikkelt het kind zich tot „een evenwichtige, blijvend geïnspireerde volwassene“ mits respect getoond wordt voor het eigene van het kind, zijn leerproces aan eigen ervaringen wordt toevertrouwd en wanneer rond het kind een sfeer van intimiteit wordt gewaarborgd. Dit moge allemaal goed en aardig zijn, maar het middel is, de huidige invloed van Rousseau nader beschouwend, erger dan de kwaal. Nog meer nadruk leggen op het belang van zaken als intrinsieke motivatie en zelfontdekkend leren dan tegenwoordig al gebeurt zou niet alleen bestaande problemen kunnen vergroten (zie voor een vileine maar meesterlijke kritiek op de buitensporige, Rousseauïstische nadruk in deze tijd op het ‘zichzelf zijn’.

De verleiding van de onschuld van de fransman Pascal Bruckner; het „infantiele individualisme met slechts één motto: wees wat je bent in alle eeuwigheid“ wordt daarin aan de kaak gesteld). Maar, wat verontrustender is, Offermans laat, zich schijnbaar niet meer bekommerend om zijn oorspronkelijke visie, de invloed van Rousseau als prototype van een cultuurvijandig opvoedingsideaal voor wat het is. Terwijl hij toch, zich in de zaak verdiept hebbende, op de hoogte moet zijn van Rousseaus extreme dualisme, met zijn heiliging van de innerlijke natuur als bron van alle goeds en de omringende cultuur als bron van alle kwaad.

Dit dualisme heeft, zo vinden we in de indrukwekkende studie Het cultuurprotest van Jean-Jacques Rousseau van de filosoof R.F. Beerling, aanzetten gegeven voor een antiautoritaire ‘tegencultuur’ die, met haar diepgewortelde geloof in de ontmanteling van historische en literaire voorbeelden, ongeëvenaard is en die op zijn zachtst gezegd in tegenspraak is met Offermans’ oorspronkelijke pleidooi voor culturele kennis.

    • Dr. Guido Everts