Nieuwjaarsster Sothis

Of de oude Egyptenaren ‘Buitengewoon goed!’ waren in sterrenkunde valt nog te bezien, maar hopelijk waren ze er beter in dan egyptoloog drs. Huub Pragt. Pragt meldt dat de ster Sirius op 19 juli verscheen boven de horizon, vlak voor zonsopgang (NRC Handelsblad, Wetenschapspagina 3 jan). Met een programma als Skyglobe (dat eenvoudig te downloaden is van internet) is te controleren dat Sirius pas op 24 juli 2005 eerder boven de horizon komt dan de zon, en dus gedurende korte tijd zichtbaar is, en in 2550 voor Christus was dat rond 5 juli. Nu is dit niet zo belangrijk, omdat er meer factoren zijn die de waarneembaarheid van een ster bepalen: in de ochtend schemering is het moeilijk waarnemen. Belangrijker is dat Sirius nooit gedurende 70 dagen weg is van de hemel zoals Pragt stelt. Sirius ging rond 5 juni 2005 in Cairo ongeveer gelijktijdig onder met de zon. Dat betekent dat in de dagen daaraan voorafgaand Sirius vlak na zonsondergang zichtbaar is in het uiterste westen.

Sirius staat ook geen enkele dag van het jaar (op de geografische breedte van Cairo) te laag om boven de horizon uit te komen (een andere uitspraak van Pragt). Dat we Sirius soms niet waarnemen, komt omdat deze ster, ondanks zijn helderheid, overstraald wordt door de zon.

Pragt gaat ook de sterrennevels in als hij stelt dat de oude Egyptenaren, ondanks dat de Poolster niet precies in het noorden stond in hun tijd, toch een verbazingwekkende nauwkeurigheid bereikten in de oriëntatie van de pyramiden. Karel Knip besteedde al op 25 november 2000 aandacht aan dit opmerkelijke feit in zijn rubriek Alledaagse Wetenschap. In dit artikel werpt hij interessante vragen op over de invloed van de continental drift (die over een periode van 4500 jaar gemeten aanmerkelijk is) en over de slijtage van de buitenwand pyramiden zelf. De Poolster is ook helemaal niet nodig om het noorden te bepalen. Een beetje voor de vuist weg redenerend (in zijn eigen woorden ‘handsfree peinzen’) taxeert hij de in een artikel in Nature (16 nov 2000) voorgestelde methode om het noorden te bepalen met een tweetal heldere sterren. De praktische uitwerking van deze methode, die tamelijk ingewikkeld is, brengt hem tot de vraag ‘.. waarom de Egyptenaren niet eenvoudig de windrichting [het geografische noorden] vaststelden waar sterren altijd hun laagste punt bereikten. Met twee stapels stenen achter elkaar is dat een fluitje van een cent’. Knip eindigt met de vragen ‘Toch te onnauwkeurig? Of [hadden de oude Egyptenaren] gewoon geen verstand van sterrenkunde?’

    • H.W. Visscher