Niet begrepen

Een studente geneeskunde doet onder pseudoniem verslag van haar stage. Vandaag loopt ze weer mee met een psychiater van “de crisisdienst'.

“Typisch IBS-je“, zegt de agent, en gaat ons voor door de gang. “Hij gooide een eettafel en vier stoelen vanaf de tweede verdieping op straat. Daarna rende hij naakt naar beneden en overgoot zich met verf. 't Joch is niet voor rede vatbaar.“

De cellen zien er uit zoals ik verwacht had: Stalen spijlen, betonnen muren en vloeren, tl-verlichting. Een jongen van een jaar of twintig ijsbeert door de laatste cel. Witte verf druipt van zijn lichaam. Zodra hij ons ziet, staat hij stil en grijnst. Hij haalt zijn hand langs zijn borst, veegt dan de verf, met een “air' als een filmster, door zijn haar.

“Rug tegen de muur“, gromt de agent. “Eén beweging en de deur gaat dicht“

De jongen verplaatst zich, knijpt zijn ogen samen, en fluistert bezwerend: “Ammonia, dat je zilver blondeert, bladzij vergeelt, mens vergrijst, kind dat naar de bejaarde wijst, wordt met plastic gehanteerd. Mijn voetstappen blijven in de maat. Stipt en statig begeleid, door de drie wijzen in de tijd. Tot ik gewond de strijd verlaat.“

Dr. Engel, de psychiater, stapt de cel in. “Een gedicht van jezelf?“ De jongen knikt. “Mijn moeder verbrandde mijn manuscript. Uit jaloezie.“ Hij snuift. “Daarna huurde ze die kankeretage, kocht meubels, verf. Alles om me om te kopen, snap je?“ Hij begint weer te ijsberen. “Ik wil die teringzooi niet! Ik wil mijn manuscript!“

De agent slaat de deur dicht. “Tegen de muur! Of we zijn weg.“

“Ach. Lazer toch op“, mompelt de jongen. “Jullie snappen er geen flikker van!“

Hij steekt de cel over en pakt met twee handen de spijlen vast. Hij staat nu recht voor me, op nog geen meter afstand. Ik probeer krampachtig niet naar beneden te kijken, maar kan het niet laten. Zijn witbeschilderde piemel bungelt heen en weer, als hij zachtjes wiegend vervolgt: “Cirkels vallend schreeuw ik en raak, door vroeger, later op de vlucht, mijn horloge kwijt. Dan zie ik de zwaluw en verbaasd, zet ik de klok een uurtje terug. Zomertijd.“

Nu kijkt hij me recht aan. “Jij begrijpt me, hè? Jij bent de enige die dit kán begrijpen.“

Ik slik even, kijk in zijn ogen: groot, open, hulpeloos. “Ik ben niet gek“, vervolgt hij zacht, “Ik was gewoon kwaad.“

Ik kijk om naar dr. Engel. Zou het niet helpen als ik... Maar hij schudt beslist zijn hoofd, en neemt het gesprek weer over.

“Ken je de voorwaarden voor “In Bewaring Stelling'?“ vraagt hij, als we even later in het kantoortje zitten.

“Je moet verwachten dat hij, op basis van een psychiatrische ziekte, een acuut gevaar vormt voor zichzelf of zijn omgeving“, zeg ik. Engel knikt. “Wat denk je?“

Ik aarzel even. “Hij is vast gek, maar voelt zich vooral niet begrepen. Ik geloof niet dat hij kwaad in de zin heeft.“

Dr. Engel lacht. “Volgens mij was je zelfs een beetje van hem gecharmeerd.“

Ik voel hoe ik rood word.

“Ik heb je van tevoren niets over hem verteld, om te laten zien hoe dit soort jongens je inpalmen“, zegt hij. “Ze voelen feilloos aan waar je zwakke plek zit, en misbruiken die.“ Hij slaat het dossier open. “Dit is een oude bekende: aanranding, poging tot doodslag. Vier maanden geleden voor het laatst opgepakt. In zijn psychose mishandelde hij een oude vrouw. Hij is een maand geleden uit de kliniek ontslagen.“

    • Anne Hermans