Keihard aanpakken

Nadat het de notoire zwartrijders, de nachtelijke fietsers zonder brandend achterlichtje, de illegale wiettelers, de sigarettenrokers, de duiven op de Dam, de lastige straatjeugd, de eigenaars van wildpoepende honden en de Hells Angels al was overkomen, is nu weer de beurt aan de daklozen. De overheden hebben laten weten dat deze mensen keihard zullen worden aangepakt. Lang geleden werden ze aangepakt, toen hard aangepakt, en nu, ook al sinds een jaar of drie, vier wordt iedere misstand van de dag keihard aangepakt.

Iedere wat grotere stad heeft haar eigen openbare zonderlingen en daklozen. Sommigen worden voor hun tijdgenoten onvergetelijk. Zo kon je in het begin van de jaren vijftig (v.d.v.e.) op drukke winkeluren in de Kalverstraat een man met een gleufhoed tegenkomen. Meestal liep hij vrijwel normaal, als iemand die veel haast heeft, maar dan werd plotseling de geest over hem vaardig. Hij stak beide armen achteruit, beende genadeloos door de menigte terwijl hij riep: “Die wijven hebben het allemaal gedaan!“ Veel later had je een man die tegen de schemering in keurige buurten wandelde en van tijd tot tijd tegen de ramen riep: “Moordenaars!“ Natuurlijk zijn dat pathologische gevallen, ze zouden in therapie moeten, menslievend onder dak gebracht. Maar afgezien daarvan heb ik vaak de vage, voorbijgaande overtuiging gehad dat ik de heren kon begrijpen.

Vijf jaar geleden heb ik hier een stukje geschreven over de dakloze Theo Deken die toen juist, 61 jaar oud, was gestorven en een mooi in memoriam in de Volkskrant had gekregen. Hij was een goed jazzmusicus geweest, aan de drugs geraakt, had zijn afspraken verwaarloosd, zo was het een van het ander gekomen en ten slotte was hij op straat beland, in het bijzonder de Leidsestraat waar hij voorbijgangers een gulden uit de portemonnee commandeerde. Daarna had hij zijn werkterrein naar de tram verlegd. Droeg iemand hem de gulden af, dan bedankte hij met zwier waarbij hij liet merken dat hij er recht op had. Ik kwam hem zo vaak tegen dat we elkaar gingen groeten. Daar hebben we het gelukkig bij gelaten. Pas na zijn dood las ik wie hij was geweest.

Mijn interessantste dakloze van nu ken ik al vrij lang. Hij valt meteen op doordat hij zijn hele hebben en houen op een fiets heeft geladen; alles in tassen en plastic zakken, zo veel dat hij niet meer kan fietsen. In alles is hij zorgvuldig en bedachtzaam. Systematisch onderzoekt hij de vuilnisbakken, inspecteert de wisselgeldbakjes van de parkeermeters, speurt op de stoep naar bruikbare peuken, duwt zijn fiets een traject verder, ontdekt dan dat hij te ver gereden is en rijdt het gevaarte weer langzaam achteruit. Ik denk dat ik hem omstreeks 1995 eens een sigaret heb aangeboden. Hij weigerde hooghartig. Vroeger was hij kortgeknipt en had hij een gladgeschoren gezicht; nu heeft hij lang haar en een baardje. Hij maakt geen haveloze indruk. Bij zijn goed georganiseerde manier van leven heeft hij een stoïcijns gedrag. Ik kan me natuurlijk flink vergissen, maar hij maakt in ieder geval de indruk, een hooghartige eenling te zijn.

Zou die man weten wat de gemeente met hem van plan is? Stel je voor dat hij onverhoeds door de daklozenbrigade keihard wordt aangepakt. Zijn fiets wordt hem ontnomen, hij moet al zijn plastic zakken inleveren, komt met tientallen mede-ex-daklozen in een zaal voor het dagverblijf waar hij nuttige dingen moet doen, daarna aan een lange tafel voor de gezonde maaltijd en ten slotte in de slaapzaal. Staat de godganselijke dag bloot aan het gekwebbel van zijn lotgenoten. En natuurlijk, omdat we in dit land, in deze samenleving, zoals we hier bij elkaar zijn, goed voor onze keihard aangepakte ex-daklozen zorgen, mogen ze niet roken. Wat denkt u? Zou ik deze fietsdakloze waarschuwen?

Waar komt trouwens die behoefte aan het keiharde aanpakken vandaan? Die zit in ons volk. Dat het vroeger kortweg aanpakken genoemd werd, is van minder belang. Dat is een taalkundige kwestie: de inflatie van superlatieven. In 1972 werd Nederland bedreigd, ik weet niet zo gauw door wie of wat. De minister van Binnenlandse Zaken, mr. W.J. Geertsema, een innemende liberaal, keerde het gevaar door de oprichting van een peloton ordetroepen dat rubberen kogels mocht afschieten. Vier jaar later braken de rellen in de Nieuwmarktbuurt los. Dankzij het toenmalig aanpakken kunnen we nu met de metro van het CS naar de Bijlmer. Weer vier jaar later werd de Vondelbrug door de krakers bezet en daarna door “tankdozers' ontruimd, waarbij burgemeester Wim Polak zijn aforisme sprak: “Als de colonne zich eenmaal in beweging heeft gezet, kan deze niet meer worden gestopt. Wat er aan het begin van deze eeuw is gebeurd, ligt te dichtbij om op te schrijven.“

Een jaar of twintig geleden struikelde je in New York over de daklozen. Toen kwam burgemeester Rudy Giuliani de misstand keihard aanpakken. Opeens waren ze weg, vertrokken, niemand wist waarheen. Nu zijn ze alweer een paar jaar terug. Niemand weet waar ze vandaan zijn gekomen. Dat heb je met daklozen, de menselijke raadsels van de grote stad.

    • S. Montag