Opinie

    • Youp van ’t Hek

Karremansgevoel

Ze sidderen in Afghanistan. Osama heeft al een bestand geopperd, maar
de Amerikanen ruiken zijn bloed en willen er niets van weten. Het is een
kwestie van dagen of misschien zelfs uren. Gegrom in de grotten van Tora
Bora, maar het is te laat. Nog even en dan geeft Al-Qaeda zich massaal
over. De handen gaan omhoog, de witte zakdoeken wapperen aan de geweerlopen
en we zien een lang lint angstige baarden om genade smeken.

Eerst was er de dreiging van Bush.

“Pas op of we grijpen naar zwaardere middelen“, dreigde de gelovige
president van de Verenigde Staten. De even vrome Bin Laden piekerde zich
suf. Wat zou George W. bedoelen? Napalm? Een atoombom? Dat zou hij nooit
durven. Maar wat dan wel?

In november werd het steeds duidelijker. Bush dreigde met harde
maatregelen. Keiharde maatregelen zelfs. De patstelling had lang genoeg
geduurd. Er moest iets gebeuren. En nu had hij eindelijk een troef in
handen. En wat voor troef.

Het begon met een ontmoeting tussen Jan Peter en George. De laatste
vroeg onze minister-president hoe het ging en deze antwoordde oprecht dat
hij nog steeds last had van het Karremansgevoel. De Amerikaanse president
was dat incidentje eerlijk gezegd vergeten en troostte onze dappere
Balkenende met de mededeling dat het ongelukje inmiddels meer dan tien jaar
geleden was, dus… Daarbij maakte hij nog een misplaatst moslimgrapje,
maar hij zag dat onze JP er niet om kon lachen. In eerste instantie dacht
Bush dat onze minister-president hem niet begrepen had en herhaalde het
ranzige mopje nog maar eens. Maar er kon weer geen lachje af.

Balkenende legde uit dat een beetje militair het geheugen van een kudde
olifanten heeft en dat hij zijn leven als volledig mislukt beschouwt als
hij zich niet kan revancheren…

“Waar denk je aan?“, vroeg Bush.

“Dat wij Nederlanders richting Afghanistan afreizen en een definitief
einde maken aan de terroristische dreiging van Al-Qaeda“.

Onze JP keek zo serieus dat Bush er onmiddellijk Donald Rumsfeld bij
riep. Het werd duidelijk menens. Een konkelend gefluister volgde. Woorden
als specialisten, eenheid en dreiging vielen meerdere malen. Rumsfeld was
duidelijk onder de indruk en belde met Dick Cheney en Condoleezza Rice, die
binnen enkele ogenblikken opgewonden de kamer binnen stormden. Ook zij
vonden het plan fantastisch. Vooral omdat het zo simpel was.

De Verenigde Staten zouden ons vragen om te helpen in Afghanistan en
onze regering zou daar positief op reageren. Men was zich bewust dat het
op wat parlementaire tegenstand kon stuiten, maar dat zou worden opgelost
door eerst D66 in een spagaat te leggen en door de Kamerleden aan te bieden
daar zelf te gaan kijken.

“Dat durven die doorzonschijterds toch niet“, lachte onze Jan Peter.

“Maar als het niet door jullie parlement komt?“ vroeg Rice bezorgd.

Dit bezwaar wimpelde Balkenende luchtig weg door te stellen dat ons
leger helemaal niet naar Afghanistan gaat.

“We regelen het veel eerder. We zeggen dat we willen en voor het zover
is, gaan we oefenen met ons uiterst geheime wapen.“

“En dat is?“ vroeg Bush met een wantrouwende glimlach.

JP trok het hoofd van de Amerikaan naar zich toe, legde zijn handen om
het presidentsoor en fluisterde iets zeer geheimzinnigs. De president werd
rood van opwinding en gaf het op dezelfde wijze door aan zijn kompanen
Cheney, Rice en Rumsfeld.

“Bij ons of bij jullie?“ vroeg Donald.

“Half januari bij ons“, lachte JP, “we hebben nog een klein stukje bos
in het noorden en daar loopt een snelweg dwars doorheen. Daar ontsteken we
er een paar en dan zullen jullie eens zien wat er gebeurt… ik voorspel
een gigantische kettingbotsing met alle gevolgen van dien… brandende
auto’s, kermende mensen, een gigantisch slagveld!“

“Was het maar januari“, verkneukelde de president zich, “ik kan niet
wachten… en dan?“

“Dan is het een kwestie van uren, de beelden gaan over de wereld en
komen via de satelliet ook in die grotten en dan moet jij eens kijken…!
Totale overgave en wel onmiddellijk. En dan hebben we alleen nog maar
geoefend en zijn we voorgoed verlost van ons verschrikkelijke
Karremansgevoel!“

Youp van ’t Hek

    • Youp van ’t Hek