Inheemse indianen bezitten een basis aan geometrische kennis

Inheemse indianen uit het Amazonebied kunnen overweg met begrippen als rechte hoek, evenwijdigheid en symmetrie, zonder dat hun taal daar uitdrukkingen voor heeft. Dat concluderen Franse en Amerikaanse onderzoekers op basis van visuele tests (Science, 20 jan).

43 procent van de Mundurukú wees het afwijkende plaatje aan. FOTO SCIENCE Science

Het gaat om de Mundurukú-stam, indianen die in het stroomgebied van de Cururu-rivier leven. Pierre Pica, een van de onderzoekers, deed in 2004-2005 veldwerk in het gebied. Daarbij nam hij zowel kinderen als volwassenen series tests af naar hun inzicht in geometrische concepten als punt, lijn, rechte hoek, evenwijdigheid en symmetrie. De indianen die aan het experiment deelnamen woonden in geïsoleerde dorpjes, gingen niet naar school en hadden nog nooit een lineaal, geodriehoek of passer gezien. Ook kent de Mundurukú-taal nauwelijks woorden voor rekenkundige, geometrische of ruimtelijke concepten.

De indianen kregen twee soorten tests voorgeschoteld. Eerst werd gekeken of ze intuïtief uit de voeten konden met basisbegrippen uit de geometrie. Steeds kregen de indianen zes plaatjes te zien, waarvan vijf het concept (congruentie, rechte, trapezium, gelijkzijdige driehoek, etc.) vertoonden en één niet. Aan de indianen de vraag welk plaatje “raar' of “lelijk' was. Alle deelnemers, ook die van zes jaar oud, scoorden ruim boven het toevalsniveau (17%), terwijl kinderen niet onderdeden voor volwassenen. Het moeilijkst bleken transformaties, zoals spiegelsymmetrie. De Mundurukú deden het met een gemiddeld score van 67 procent even goed als Amerikaanse kinderen; Amerikaanse volwassenen scoorden ruim 80%.

In een tweede test werd gekeken in hoeverre de Mundurukú met een elementair soort “landkaarten' raad wisten. Drie doosjes of cilinders werden zo neergelegd dat ze een rechthoekige dan wel gelijkzijdige driehoek vormden, waarna in een van hen een object werd verstopt. De indianen kregen eerst een schematische kaart (bovenaanzicht) van de configuratie, waarbij het doosje of de cilinder waarin het object verstopt zat was gemerkt. Vervolgens moesten ze, met in hun hoofd de informatie op de kaart, op zoek naar het verborgen object “in het echt'. In 71 procent van de gevallen hadden ze het goed, ook al moesten ze de kaart (of de werkelijkheid) in gedachten eerst “draaien'. De resultaten weken niet af van die in het eerste experiment.

De conclusie van de onderzoekers (onder wie cognitiepsycholoog Stanislas Dehaene) is dat de mens, los van culturele input, over een kern beschikt van universele geometrische basiskennis.

Dirk van Delft

    • Dirk van Delft