Ik dacht dat God erachter zat

“Ik zocht warmte. Liefde. Begrip. Dat zie ik nu. Indertijd had ik dat helemaal niet door. Ik was op zoek naar een krachtig persoon. Een vaderfiguur. Daar was ik mij niet van bewust, maar ik zocht het wel. De voorganger van de sekte was zo iemand. Hij leek altijd heel sterk en liet zich door niemand tegenhouden. Hij twijfelde niet. Nooit. Dat trok mij aan; ik wilde ook zelfverzekerd zijn. Hij was charismatisch. Niet echt knap, maar ook niet lelijk. Hij was zo vol van zijn eigen gelijk en dat hij anderen daarmee imponeerde. Manipuleerde. Mij ook.

Deborah Kruithof (22). 'Op een gegeven moment besloot de voorganger: we worden joods, want wij zijn het volk van God' Foto Leo van Velzen Zwijndrecht, 16/12/05. Esther Kruithof. Foto Leo van Velzen/Nrc.Hb. Velzen, Leo van

Ik ben altijd gelovig geweest. Tot mijn veertiende ging ik naar de Hervormde Kerk en daarna ben ik gaan zoeken. Ik ging altijd met mijn moeder naar de kerk, zonder dat ik daar heel erg over nadacht. In mijn puberteit wilde ik dat God écht een plaats in mijn leven kreeg. Ik had toen een goede vriendin en die ging naar een Evangelische Gemeente en daar ben ik eens gaan kijken. Daar was een veel blijere sfeer. Voor mij was dat een ontdekking. Ik zag dat je in het geloof ook liefde en vriendschap kan vinden. Leeftijdgenoten met dezelfde interesses. In de sobere, Hervormde Kerk had ik geen vrienden. Alleen mijn familie.

Ik kom uit een moeilijk gezin. Mijn ouders zijn gescheiden voor mijn geboorte, dus mijn vader heb ik eigenlijk nooit gezien. Ik miste hem heel erg. Maar dat ontdekte ik pas in de puberteit. Ik heb een lieve moeder en twee broers en een zus. Ik ben de jongste. We woonden met z'n drieën; de oudsten waren het huis al uit. Met mijn broer die nog thuis woonde, waren er veel problemen. Hij kwam uiteindelijk in een internaat en later zelfs in de gevangenis terecht. Dat was ingewikkeld, want ik voelde me altijd verantwoordelijk voor hem. Ik verzon als klein meisje van alles om hem te helpen. Om hem uit de problemen te houden. Maar dat lukte niet. Ik werd daardoor een kwetsbaar kind.

In de Evangelische Gemeente vond ik warmte en erkenning, maar ik miste ook iets. Ik miste de liefde voor Israël. Ik ben opgevoed met de overtuiging dat joden Gods uitverkoren volk zijn en dat Israël het beloofde land is. In de Hervormde Kerk, en ook in de Evangelische Gemeente kwam dat nauwelijks aan bod. Mijn moeder en ik zijn toen een keer op uitnodiging van een kennis bij Shalom gaan kijken, een orthodoxe geloofsgemeenschap die pro-Israël was. Ik werd geraakt door de ontzettend warme sfeer en de liefde die ik daar vond. Mijn moeder ook, en samen hebben we ons bij die gemeenschap aangesloten.

Shalom werd geleid door een veertiger die wij zagen als een gezalfde van God. Nu verbaast het mij dat ik erin heb kunnen trappen, maar ik was heel toegewijd. Tegelijk was ik ook onzeker. Ik wist niet wat ik wilde met mijn leven en was bang om verkeerde keuzes te maken. Bang dat ik iets zou kiezen, terwijl God wilde dat ik iets anders zou doen. Ik wilde bijvoorbeeld graag studeren, maar ik wist niet of God dat goed vond. Op een gegeven moment dacht ik: ik ga studeren tenzij God mij vandaag een baan aanbiedt. Die avond ging de telefoon en kon ik tandartsassistente worden. Dat leek me vroeger vreselijk werk, maar omdat ik dacht dat God erachter zat, heb ik het gedaan.

Ik ging vier dagen in de week werken en besteedde de rest van mijn tijd aan de gemeenschap. We hadden zo'n vijf samenkomsten per week en 's avonds at ik heel vaak bij de voorganger en zijn familie. Ik hield veel van lezen en muziek luisteren, maar dat deed ik niet meer. Ik keek ook geen televisie en luisterde niet meer naar de radio. Niet omdat het verboden was, maar omdat we het zonde vonden om daar je tijd en energie in te steken. Dat hoorde niet bij het radicale leven voor God.

Radicaal, ja. Je moest radicaal zijn. Dat betekende dat je al je energie en ook tien procent van je inkomen in de geloofsgemeenschap stak. Ik ervoer onze gemeenschap als een familie. Misschien zelfs als meer dan familie, want we hadden hetzelfde doel; we wilden God dienen. De voorganger gaf aan hoe dat moest en daarvoor verkende hij alle extremen in de christelijke wereld. Dus er werd bij ons in tongen gesproken en er werd aan gebedsgenezing gedaan. En op een gegeven moment besloot de voorganger: we worden joods, want wij zijn het volk van God.

Mijn moeder was toen al afgehaakt. Ze vond dat de gemeenschap steeds meer op een sekte ging lijken. Maar ik vond dat onzin. Ik vond haar een rebel en vertrouwde haar niet meer. Ik zag haar nog wel af en toe, maar we hadden nauwelijks contact. In de geloofsgemeenschap werd gezegd dat ze een probleem had met autoriteit. En dat ze zich niet wilde onderwerpen aan God. Ik vond dat ook. Mijn moeder was niet radicaal genoeg.

We gingen in die tijd al vaak naar Israël om kolonisten te bemoedigen. Om hun te vertellen dat wij het geweldig vonden dat zij het land beschermden. Een hart onder de riem te steken omdat er veel kritiek op hen was. Wij hadden ontzag voor kolonisten. Zo wilden wij zelf ook worden. Ik wilde absoluut naar Israël en in een nederzetting wonen. Volgens de voorganger zag je in de nederzettingen Gods kracht.

Omdat we joods wilden worden, moesten we veel studeren. Ik leerde Hebreeuws en gaf les aan de andere mensen in de sekte. We waren met z'n twintigen in die tijd. Doordat ik zoveel over het jodendom las, ontdekte ik steeds vaker dat in de sekte dingen niet klopten. De voorganger wilde bijvoorbeeld met z'n allen een woongemeenschap vormen, maar dat is helemaal niet gebruikelijk in het jodendom. Ook leerde ik van kolonisten dat je respect moet hebben voor andersdenkenden. En zij zeiden: “Je hoeft toch niet joods te worden? God heeft net zo goed een plan met heidenen. Ook zij kunnen God dienen.' Maar dat soort geluiden hoorde je in de gemeenschap niet terug. Toen de voorganger zei dat in de thora staat dat een man meerdere vrouwen mag hebben, wist ik dat het niet waar was. Maar volgens de voorganger mocht het omdat het nergens werd verboden. Zo manipuleerde hij de waarheid. Eerst gebruikte hij daar de bijbel voor. Later de thora.

Ik voelde me niet bedreigd, maar was wel bang dat God het als offer van mij zou vragen dat ik de tweede vrouw van de voorganger werd. Ik wilde God dienen, maar dat wilde ik niet. Maar ik ging niet tegen de voorganger in. Dat deed je niet. Want dan werd je genegeerd, kreeg je geen aandacht meer en ook geen liefde. Zo hield hij je in zijn macht. Ik ben daarom ook gewoon in die woongemeenschap gaan wonen. Ik durfde niet te weigeren, omdat ik dacht dat het Gods wens was dat ik daar ging wonen. Ik was in die tijd depressief en voelde me daar heel schuldig over. Ik geloofde dat ik down was omdat ik niet op God vertrouwde. Ik raakte steeds meer in de war en op een gegeven moment wist ik niet meer wat ik geloofde. Of ik echt joods wilde worden. Of ik echt naar Israël wilde emigreren. Ik wist het niet meer. En ik was niet de enige. Meer mensen wilden nadenken en zochten rust. Ik ben een weekje bij mijn moeder gaan logeren. En ik ben nooit meer teruggegaan.

Ik ga nu naar een psycholoog en probeer te ontdekken waarom ik in die sekte terecht ben gekomen en waarom ik die voorganger blind volgde. Spijt dat ik eruit gestapt ben, heb ik niet. Al mis ik wel Gods warmte. Zijn goedkeuring. Maar ik ben ook boos. Jarenlang heb ik heilig in iets geloofd terwijl het een wereld van leugens en manipulatie bleek te zijn. Ik ben nu niet meer zo gelovig. Ik ben rationeel geworden. Religie kan veel kapot maken. Ook al gaat het om respect en verantwoordelijkheid voor je medemens.'

Opgetekend door Marloes Elings Wilt u reageren? Mail uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam

    • Marloes Elings