Dorp met lange benen

Uit Ethiopië komen uitzonderlijk goede langeafstandslopers. Het dorp Bekoji leverde al vijf olympische en wereldkampioenen, zowel mannen als vrouwen. Wat is het geheim van dit grote Afrikaanse succes? De plaatselijke pannenkoek. “Daar ben ik van overtuigd'.

Coach Sintayahu Eshetu leidde wereldkampioenen op, maar moet nog altijd sappelen Foto Nathalie Chiesa Chiesa, Nahalie

Pe-doem, pe-doem, pe-doem, pe-doem. Daar passeert de eerste groep lopers, terwijl de opkomende zon de dauw verdrijft en beetje bij beetje de praal van het Ethiopische landschap toont.

Pe-doem, pe-doem, pe-doem, pe-doem, daar volgt een tweede groep, en een derde, en een vierde die geheel uit vrouwen bestaat. Je hoort geen gehijg, geen stemmen, alleen het ritme van de pas: pe-doem, pe-doem, pe-doem, pe-doem. Het is een mooi, monotoon geluid.

Uit het niets waren ze verschenen. Plotseling, op de zoveelste heuvel tussen Asela en Bekoji, meer dan 200 kilometer ten zuidwesten van de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba. In de weg die deze dorpen verbindt, zaten zoveel gaten dat zelfs de door vier wielen aangedreven terreinwagen tweeëneenhalf uur nodig had voor de afstand van 52 kilometer. Hoe kan het dat de lopers hun enkels niet breken?

Het was een prachtige route, overigens, door een betoverende natuur, waar wuivende korenvelden en bloeiende bossen elkaar afwisselden tegen een achtergrond van bergen. De passanten waren voor het merendeel voetgangers, maar ook groepjes geüniformeerde schoolkinderen, enkele ruiters, sporadische fietsers en zo nu en dan een vrachtwagen of een bus.

Maar was dit wel de weg naar Bekoji, het verscholen dorpje dat de laatste dertien jaar olympische en wereldkampioenen als Kenenisa Bekele, Derartu Tulu, Fatuma Roba en de zusjes Dibaba heeft voortgebracht? Elke wegwijzer naar dat lustoord voor langeafstandlopers ontbrak.

Om in Bekoji te komen moest tussenstop Asela - de geboorteplaats van olympisch en wereldkampioen Haile Gebrselassie - in zuidelijke richting verlaten worden, geen twijfel mogelijk. Maar of het hobbelpad rechtstreeks naar Bekoji leidde, werd onzekerder naarmate de rit langer duurde. Vragen hielp niet. Een dorpeling die schijnbaar nooit van Bekoji had gehoord en een buschauffeur die volstond met een hoofdknik, verhoogden de twijfel. Bekoji scheen ergens verderop te liggen, maar niemand die dat kon bevestigen.

Steeds minder hoopvol werd de reis vervolgd. Tot uit de ochtendnevel onverwachts groepjes hardlopers opdoemden. Dat was een goed teken. En zowaar, nadat de tientallen lopers waren gepasseerd, opende twee heuvels verderop een slagboom de poort naar Bekoji, het dorp van 20.000 inwoners dat alleen al bij de Olympische Spelen van 2004 in Athene goed was voor twee gouden, één zilveren en twee bronzen medailles.

De parel van de school

Allereerst zoeken we in Bekoji de atletiekbaan op, die de inwoners zelf hebben bekostigd en ook met eigen handen aangelegd. In een dorp waar zoveel atleten van wereldklasse vandaan komen, mag een atletiekbaan niet ontbreken, was de heersende opvatting. En dus werden de benodigde vierduizend dollar bij elkaar geschraapt en vier jaar geleden werd de aanleg voltooid.

Het is de trots van Bekoji, ook al bestaat de ondergrond uit armoedig gravel, ligt in een van de bochten structureel een plas water en is de kleine, uit smalle boomstammen opgetrokken tribune verre van comfortabel en op het oog allerminst stabiel. Maar het schijnt veilig te zijn voor toeschouwers.

Alleen, de plek is verlaten. Waar zijn de atleten? Waar zijn de nieuwe sterren, de opvolgers van de naar Addis Abeba verhuisde kampioenen? Twee mannen verwijzen ons naar een open plek aan de rand van het dorp, vanwaar atleten dagelijks vertrekken voor hun training. Dat waren dus de hardlopende groepjes die buiten het dorp opdoken uit het niets.

En inderdaad, na enig zoeken maken we op een veldje bij de plaatselijke school kennis met Sintayahu Eshetu (48). De kleine, gezette man in slonzig trainingspak was de eerste trainer van tweevoudig olympisch kampioene Derartu Tulu, sinds haar overwinningen op de 10.000 meter bij de Spelen van 1992 (Barcelona) en 2000 (Sydney) een grootheid in eigen land.

En van Fatuma Roba, de olympische kampioene op de marathon van 1996 in Atlanta. Maar ook van Tirunesh Dibaba, die in 2003 op de 10.000 meter de jongste wereldkampioene uit de geschiedenis werd. Vorig jaar prolongeerde zij die titel bij het WK in Helsinki, waar ze ook nog wereldkampioen op de 5000 meter werd. Zij is het jongere zusje van Ejagayehu Dibaba, die tweede werd op de 10.000 meter bij de Spelen in Athene en bij de WK van 2005 brons won op zowel de 5000 als 10.000 meter.

Maar de parel uit de school van Eshetu is zonder enige twijfel Kenenisa Bekele, het 23-jarige wonder op benen dat vijf keer wereldkampioen werd op zowel de korte als lange cross bij het veldlopen en op de baan in zowel 2003 (Parijs) als 2005 (Helsinki) de wereldtitel veroverde op de 10.000 meter. Tussendoor werd Bekele in 2004 in Athene olympisch kampioen op diezelfde afstand. Bovendien bezit hij wereldrecords op de 5000 (12.37,35) en de 10.000 meter (26.17,53). Hij is een geniale loper, die zijn bij leven al legendarische landgenoot Haile Gebrselassie op de tien kilometer is voorbijgestreefd.

Verwende concurrent

Eshetu blijkt een zachtaardige, aimabele man, die wordt omstuwd door tientallen van de training teruggekeerde, nieuwsgierige lopers zodra we hem wat vragen stellen. Om rustig te kunnen praten, wordt het gesprek even verderop voortgezet in de tuin van Eshetu's huis-in-aanbouw. De man die in Bekoji al twintig jaar atleten opleidt, is vereerd met het bezoek van twee westerse journalisten, vooral omdat zij de moeite hebben genomen af te reizen naar het nietige Bekoji.

Zelf komt hij zelden buiten Bekoji, terwijl hij maar wat graag zijn atleten in het buitenland zou willen begeleiden. Hij voelt zich genegeerd door de Ethiopische atletiekfederatie in Addis Abeba. Het is dat wereldberoemde lopers als Tulu en Bekele hem zo nu en dan wat geld toestoppen. Wijzend op zijn toekomstige woning: “Dit huis kan ik mede dankzij de financiële steun van Bekele bouwen.“

Maar wat is het geheim van Eshetu? “Welk geheim?“, zegt hij zonder een spoor van ironie. “Ik heb geen geheim. Ik train gewoon jonge mensen die toevallig goed kunnen hardlopen. Omdat ik als leraar lichamelijke opvoeding aan de school ben verbonden en omdat ik het leuk vind jeugdige atleten te trainen. Niet zo leuk als mijn grote passie voetbal, maar daar is in Ethiopië minder belangstelling voor. Sinds Abebe Bikila in de jaren zestig twee gouden olympische medailles won, wil elke sportieve jongere hier hardloper worden.“

In de tuin van de “wondertrainer' dwalen de gedachten af naar de luxe omstandigheden waaronder westerse atleten hun sport beoefenen. Je vraagt je af wat de zin is van hoogontwikkelde wetenschappelijke begeleiding als eenvoudige jongens en meisjes van het Ethiopische platteland iedere verwende concurrent de hielen laten zien.

Buiten zijn stopwatch heeft Eshetu geen technische hulpmiddelen. Ja, de trainer werkt met schema's; maar die zijn summier. Hij verdeelt zijn lopers - 340 mannen en 140 vrouwen - naar niveau in groepjes en stuurt ze dagelijks voor een duurloop van vijftien kilometer het dorp uit, de heuvels in. Ze mogen kiezen: 's ochtends om acht uur of 's middags om vier uur.

Eshetu heeft wel een neus voor talent. Hij herkende het onmiddellijk bij de veertienjarige Bekele, toen die hem op een goede dag op school kwam vragen of hij mee mocht trainen. “Bekele was ambitieus en had een paar benen, oioioi. Ik vergeleek hem wel eens met een paard, wegens zijn snelheid en zijn stijl van lopen. Maar verder deed hij niets bijzonders. Hij liep gewoon het dagelijkse rondje in de heuvels.“

Zodra de tijd rijp is, stuurt Eshetu talenten naar regionale selectiewedstrijden, in de hoop dat ze worden ontdekt door bondstrainers en ooit doordringen tot de nationale selectie. Zo is het Bekele en Roba vergaan, evenals Tulu en de zusjes Dibaba. En zo had het Dereju Regassa kunnen vergaan. In Bekoji gaat het verhaal dat deze leeftijdgenoot van Bekele een nóg betere loper was. Trainer Eshetu denkt dat hij ten minste even goed had kunnen worden, omdat hij zeker zo ijverig en intensief trainde als Bekele en hem in wedstrijden geregeld versloeg.

Maar Regassa had de pech uit een grote familie te komen, waar alle gezinsleden werden geacht een bijdrage te leveren aan het levensonderhoud en hardlopen als een nutteloze bezigheid werd gezien. De pientere Regassa werd door oudere broers verordonneerd te gaan studeren en in zijn vrije tijd te helpen op het land.

Regassa barst in tranen uit als hij zijn verhaal doet. Natuurlijk, hij had graag net zo goed willen worden als Bekele. En natuurlijk, hij had ook graag net zo rijk willen zijn. Nu moet hij het doen met een paar rotcenten. Maar dat westerse journalisten hem willen spreken, betekent dat Regassa weer met opgeheven hoofd in Bekoji kan rondlopen. Hij heeft zijn waardigheid terug. Met een paar nieuwe loopschoenen als cadeau verlaat hij het gesprek als man van eer.

Altijd adem over

Als Eshetu geen geheim heeft, wat is dan zijn verklaring voor de aanwezigheid van zo veel uitzonderlijke talenten op die paar vierkante kilometer in die ontoegankelijke streek van Ethiopië? “Hun toewijding“, zegt hij zonder aarzelen. “De lopers uit mijn groep zijn harde werkers; ze willen graag hogerop. En natuurlijk de hoogte. Zij trainen dagelijks op een hoogte van 2800 meter. Dat verschaft Ethiopische atleten een natuurlijke voorsprong op vele, vooral westerse, concurrenten.“ Door die hoogte is hun hematocrietwaarde van nature zo hoog, dat Ethiopiërs meer zuurstof kunnen opnemen en altijd adem over hebben.

Volgens Eshetu moet rekening worden gehouden met de doorbraak van nieuwe atleten uit Bekoji. Hij noemt namen die ons nog niets zeggen. Op een na: die van Genzebe Dibaba. Zij blijkt het vijftienjarige zusje van Ejagayehu en Tirunesh Dibaba. Eshetu noemt Genzebe Dibaba “typisch een Bekoji-atleet“. Dus is zij voorzien van het stempel “uitzonderlijk goed'.

We verlaten Bekoji met zijn schamele behuizing en overwegend arme inwoners. We verlaten een trots dorp, dat leeft van wat het land biedt. We verlaten ook een uniek dorp. Waar ter wereld is zoveel hardlooptalent verzameld? Nergens. We verlaten Bekoji om terug te keren naar Addis Abeba, de hoofdstad waar zo veel dorpelingen naar verlangen. Op weg naar Bekele, het kind van de streek, waar Bekoji zo fier op is.

Tussen eucalyptusbomen

We ontmoeten Bekele vier dagen later in Sululta, even ten noorden van Addis Abeba op 3000 meter hoogte. Het is zeven uur 's ochtends en hij parkeert zijn middenklasseauto nabij een busstation, waar het een drukte van belang is. Eerst trainen, dan praten, dat is de volgorde die de atleet prefereert. Hij is bereid ons over een uur te woord te staan, op een veld tussen eucalyptusbomen. Daar moeten we ons maar melden.

En wat voor Bekoji geldt, geldt voor Sululta; je treft niet de trainingsfaciliteiten aan die je verwacht bij een atleet met de statuur van Bekele. Integendeel, hij verkleedt zich op straat, om vervolgens via een slecht pad af te dalen naar het eucalyptusbos, dat door meer lopers als trainingsgebied wordt gebruikt; op onverwachte momenten duiken er groepjes lopers op.

Na een uur komt Bekele uit het niets tevoorschijn. Er verschijnt een glimlach op zijn doorgaans stoïcijnse gezicht als hij hoort dat we zijn geboortedorp hebben bezocht. Of beter gezegd: het dichtstbijzijnde dorp van zijn geboorteplaats, want Bekele is uit de omgeving van Bekoji afkomstig, niet uit het dorp zelf. Het doet niet terzake, hij doorliep er de school en wordt algemeen gezien als een kind van Bekoji.

Bekele bewaart warme herinneringen aan de school en vooral aan trainer Eshetu, met wie hij nog steeds contact heeft. Hij vertelt over zijn aanvankelijke verlangen voetballer te worden. Dat veranderde toen hij in 1996 als jongen van dertien voor de televisie zat en Gebrselassie bij de Olympische Spelen in Atlanta goud zag winnen op de 10.000 meter. Hij besloot net zo'n groot atleet te worden als Gebrselassie. Een jaar later meldde hij zich bij Eshutu. De rest is historie, mooie sporthistorie.

Nu het leven van de topatleet zijn loop heeft genomen, lijken de ontwikkelingen normaal. Maar het had weinig gescheeld of de wereld had nooit iets van Bekele vernomen. Net als bij het anonieme loopwonder Dereju Regassa wilde zijn familie niets weten van zijn sportieve ambities. Vader verlangde dat zijn zoon ging studeren en zich niet zou bezighouden met dat zinloze gedraaf. Alleen, Bekele was standvastiger en vooral weerbarstiger dan Regassa. Hij mocht uiteindelijk gaan hardlopen van zijn vader, onder voorwaarde dat hij zich zou onttrekken aan de anonimiteit en er wat mee zou verdienen.

“Mijn eerste wedstrijd was op de baan in Asela“, herinnert Bekele zich. “Ik won en de eerste prijs was vijfhonderd Birr (vijf euro, red.). Bij thuiskomst heb ik het geld voor mijn vaders voeten gegooid. Hij was trots en begreep dat ik niet anders wilde. Vervolgens heeft hij zijn bezwaren laten varen.“

Merkwaardigerwijs wordt Bekele liever niet aan Regassa herinnerd. “Ik weet nog wie Regassa is, maar niet echt goed meer“, zegt de olympisch en wereldkampioen. ,,Ik herinner me dat hij liep, maar het is onjuist dat ik vaak door hem ben verslagen. Dat had ik nog moeten weten. En dat is niet het geval.“

Meer woorden wenst hij er niet aan vuil te maken. Wel wil hij zeggen hoe híj het hoge aantal uitzonderlijk goede lopers uit Bekoji verklaart. “Naast de hoogte ligt het vooral aan het drinkwater uit de streek. Dat komt uit natuurlijke bronnen en is heel gezond. Het is nooit onderzocht, maar ik ben ervan overtuigd dat het water verband houdt met het succes.“

Teff met schapenvlees

Een week later doet atletenmanager Jos Hermens, die werkt voor Gebrselassie en Bekele, in Nijmegen achter een kop dampende koffie een poging de Ethiopische ziel bloot te leggen. Hij werkt al vanaf 1982 met Ethiopische atleten. In Bekoji is de oud-atleet nooit geweest, ook al komt een van de beroemdste atleten uit zijn stal er vandaan.

Zijn navelstreng met Ethiopië is de oud-atleet Getaneh Tessema, die in dienst van zijn bureau Global Sports Communications in zijn land speurt naar talent. “Hoe de lijntjes van Tessema lopen, weet ik niet“, zegt Hermens. “Ik ben een werkgever die werk verschaft en niet een die opdrachten geeft. Natuurlijk is het belangrijk voor ons bureau topatleten als Gebrselassie en Bekele onder contract te hebben. Maar het is niet zo, dat we intensief jacht maken op unieke lopers. Als we vijf Gebrselassies of vijf Bekeles hebben gevonden, is dat type loper niet bijzonder meer en loop je het risico dat iedereen onbekend blijft. Daarom breid ik mijn activiteiten in Ethiopië niet verder uit.“

Hermens kent trainer Eshetu uit Bekoji niet, maar dat hij moet sappelen verbaast hem niet. “Typerend voor Ethiopië“, zegt hij. “Succesvolle atleten hebben moeite hun trainer te belonen. Ik zeg altijd tegen onze atleten: “Jullie rijden in een freaky mooie auto, maar laten de trainers zitten.' Ik vind dat je de coach van een atleet die goed verdient niet in een hutje kunt laten zitten. Wij ondersteunen de coaches, maar ik ben daar voorzichtig in, omdat het niet naar omkoping moeten rieken. Meestal spreek ik met een atleet af de coach op fifty-fifty basis te betalen.“

Een verklaring voor het hooghartige gedrag van de topatleten heeft Hermens niet. “Ik kom er maar niet achter. Het heeft misschien iets met de armoede te maken. Gebrselassie meet zich soms een houding aan van: anderen moeten er ook maar voor knokken.“

De atleten blijven gierig, zegt Hermens, hoeveel ze ook verdienen. “Bekele won vorig jaar in Brussel een auto als bonus voor zijn wereldrecord op de 10.000 meter. Die staat nog steeds in België, omdat hij er wat extra's op wil en dat mag dan niets kosten. Man, ik ben al vanaf september aan het onderhandelen over een spiegel.“

Aan de verklaringen voor het Ethiopische loopwonder voegt Hermens er nog een toe: teff. Teff is een Ethiopische graansoort, waar het nationale brood injara van gemaakt wordt. Het heeft de vorm van een pannenkoek, die in combinatie met allerlei lekkernijen wordt gegeten.

Hermens: “In teff zit veel ijzer, mineralen en gluten. Uit onderzoek is gebleken, dat teff in combinatie met groenten, fruit en het proteïnerijke schapenvlees een atleet net iets meer geeft dan willekeurig welk ander gezond voedsel. Ik ben ervan overtuigd dat teff een van de geheimen is van het succes.“

    • Henk Stouwdam