Diamantbuurtsafari

Zelden zo'n rustig oud en nieuw gehad als dit jaar. Gewoon thuisgebleven, wat vuurwerk afgestoken op straat, en binnen weer aan de champagne. Dat was vorig jaar wel anders. Toen was ik net als duizenden andere Amsterdammers op de Nieuwmarkt, en zag daar een auto in de fik gaan en helemaal uitbranden. Niets over gelezen in de kranten achteraf, trouwens. Van de tientallen ingeslagen autoruiten dit jaar, op steenworp afstand van mijn eigen buurtje, had ik helemaal niets gemerkt.

Maar dan. Burgemeester Cohen heeft, na een spoedbijeenkomst met de stadsdeelvoorzitters afgelopen dinsdag, alarm geslagen. “Dat de rellen in Parijs hier hun nawerking hebben, sluit ik niet uit“, zei hij. “Er zijn maar een paar kleine dingen nodig om het tot een uitbarsting te laten komen.“ Hij was nog niet uitgesproken of onafhankelijk Kamerlid Geert Wilders had al een opiniestuk gepubliceerd in de Volkskrant, waarin hij Cohens waarschuwing gretig herhaalde. “In de huidige situatie in Nederland, waarin er maar iets hoeft te gebeuren of we zijn getuige van rellen à la de Franse banlieues, zijn krachtige maatregelen nodig...“

Wilders eindigde zijn betoog met een verwijzing naar Enoch Powells befaamde “Rivers of blood' toespraak uit 1968: “Like the Roman, I seem to see the River Tiber foaming with much blood“. De Britse Conservative-politicus doelde met dit citaat uit Vergilius op een mogelijke rassenoorlog waar voortschrijdende immigratie toe zou kunnen leiden. Het betekende het einde van zijn politieke carrière, al dragen Britse neonazi's tot op de dag van vandaag buttons met de tekst “Enoch was right'. Wat Wilders precies wil zeggen met uitgerekend deze verwijzing laat ik hier maar even buiten beschouwing.

Blijkbaar was er weer gedonder in de Diamantbuurt, op loopafstand van mijn huis, ondanks mijn eigen indruk dat het rustiger was geworden. Hoog tijd dus voor een avondje hangen in de Diamantbuurt. “Doe je wel voorzichtig?“, zeggen een paar collega's nog, waarvan er overigens niet één in de nabijheid van het stadsdeel woont. Toch haal ik uit voorzorg mijn paspoort, portemonnee, mobieltje en dure vulpen uit mijn tasje, en neem alleen wat kleingeld mee. Op de fiets, voor de zekerheid. Een jaar geleden ging ik ook al eens in de buurt kijken, en was er geen hond op straat. Maar dat was 's ochtends. Nu is het negen uur 's avonds.

Ik fiets stapvoets langs de Jozef Israëlskade, en ontwaar dan drie - vermoedelijk Marokkaanse! - jongetjes die in de weer zijn met alumimiumfolie. Ik nader tot een veilige afstand om ze beter te kunnen observeren. Ze zijn broodjes kebab aan het uitpakken en oppeuzelen.

Door naar het groot wild. Maar net als vorig jaar is het Smaragdplein uitgestorven. Ik fiets tergend langzaam door. Lelijke architectuur. En er staan meer huizen leeg dan bij mij in de buurt, vooral op de begane grond. Verder valt er helemaal niets te doen. Als ik álle straten van de Diamantbuurt twee keer heb gehad, stuit ik op een huisje in de Lutmastraat waarvan de ramen zijn dichtgespijkerd door de glasdienst. Met lichte opwinding in mijn stem vraag ik aan een passerende man met hondje of hier de ruiten zijn ingegooid door een bende relschoppers. “Oh, I hope not!“, zegt hij glimlachend. Bij nadere inspectie van de glasdienst-posters blijkt het dichtgespijkerde huisje een krot met verzakte vloer.

Heb ik dat weer. Waar zijn de rivieren van bloed als ík een deadline heb? Waar de uitgebrande autowrakken? Het is te saai om nog langer in de buurt te blijven hangen.

Verzonken in gedachten rij ik op de Van Woustraat bijna twee - vermoedelijk Marokkaanse - mannen van de sokken. Ze lachen vriendelijk. Uit pure verveling fiets ik door naar Warung Mini voor een telo met bakkeljauw, en blader daar door het laatste exemplaar van weekblad De Echo, editie Zuid 1. “Diamantbuurt als politieke speelbal“, kopt de voorpagina.

Eén woord: gemeenteraadsverkiezingen.

Is er een andere verklaring voor de curieuze combinatie van quasi-harde woorden en versluierende kletspraat die ons sinds de afgelopen week bereikt vanuit de gemeente Amsterdam, en waarover in de landelijk kwaliteitskranten werd bericht als stond er een rassenoorlog op het punt uit te breken?

De gemeente vindt de excessen, zoals het intimideren van een orthodox-joodse man in de buurt “stuitend', maar heeft volgens stadsdeelvoorzitter Emile Jaensch “geen pasklaar antwoord op de groeiende intolerantie in dit deel van de stad.' Hoezo dan niet? Sinds wanneer is discriminatie en intimidatie niet strafbaar? “Of het een antisemitische daad was, is niet duidelijk' aldus Jaensch, met een stalen gezicht. En het “helpt niet' om zulke jongeren gevangen te zetten, omdat hun denkbeelden daarmee toch niet veranderen. Maar is dat een reden om het niet te doen?

De gemeente ziet meer heil in “psychiatrische zorg' (de relschoppers zijn gedragsgestoord) en “een onderzoek naar intolerantie,' aldus Jaensch. Want, vraagt hij zich af, “is het sociaal economisch?' Zeker gezien de recente cijfers over jeugdwerkloosheid onder allochtonen lijkt dit een relevante vraag.

Maar een onderzoek is er echt niet voor nodig. Het antwoord op die vraag is kinderlijk eenvoudig. Het is iets wat alle Amsterdammers wel weten, en het staat dan ook helder uitgelegd in een nieuwsbericht op pagina 2 van De Echo, editie Zuid 1. De kinderen spreken geen Nederlands. Tenminste, niet goed genoeg.

Stagebemiddelingsbureau StudentenBureau heeft onderzoek gedaan naar stagemogelijkheden voor hbo-studenten met een niet-Nederlandse achtergrond. Conclusie: wanneer een brief in gebrekkig Nederlands geschreven is, worden de studenten niet uitgenodigd voor een gesprek. Twintig procent van de aanmeldingen bij het bureau is allochtoon, slechts de helft hiervan krijgt een stageplek. De Echo< citeert: “Zelfs ik ben zeer actieve, sociale en een team medewerker persoon, die breid is om meer te leren en zelf opbouwen kan.' Een medewerker van StudentenBureau zegt: “Ik vind dat scholen hier iets aan moeten doen, want al deze mensen zijn wel geslaagd voor hun havo-examen.' Let wel: havo. Het merendeel van de Amsterdamse allochtone leerlingen blijft steken op het vmbo.

Ik durf er mijn hand voor in het vuur te steken dat Cohen, Jaensch en andere politici donders goed weten dat hier de oplossing ligt. Daar hangt wel een ander prijskaartje aan dan aan een onderzoek naar intolerantie, en de resultaten zijn niet direct meetbaar voor de volgende gemeenteraadsverkiezingen. Maar alleen zo bestaat er nog een kansje dat een van de zich stierlijk vervelende jongetjes die ik met hun broodjes kebab aantrof op de Jozef Israëlskade, over tien jaar de Marokkaanse tegenhanger publiceert van De avonden. Het is er tenslotte de buurt voor.

Corine Vloet