Beuken op het bos

Bos is niet zo goed voor het milieu, volgens lijvige rapporten. Bossen gebruiken veel water en produceren broeikasgas. Maar de wetenschap denkt er genuanceerd over. Karel Knip

Het bos ligt onder vuur. De opvatting dat van bosaanplant niets dan heil te verwachten valt staat ter discussie. In een reeks van rapporten en artikelen die de laatste maanden verschenen wordt opeens twijfel uitgesproken. Er is onderzoek waaruit blijkt dat bossen een gevaar kunnen zijn en onderzoek waaruit volgt dat bossen niet het nut hebben dat ze traditioneel wordt toegeschreven.

Afgelopen zomer publiceerde het Britse ministerie voor ontwikkelingssamenwerking DFID het rapport “From the mountain to the tap' waarin de invloed van bossen op de waterhuishouding van een gebied wordt onderzocht. Het accent ligt op het menselijk watergebruik in de droge seizoenen (drinkwater, wassen en irrigatie). Voornaamste advies: beperk de bosbouw in droge gebieden als daar watertekorten dreigen.

In het najaar brachten de wereldvoedselorganisatie FAO en het internationale centrum voor bosonderzoek CIFOR een rapport uit dat juist aandacht vroeg voor de natte perioden. “Forests and floods' noemt het onomwonden een misvatting dat kaalkap en ontbossing de kans op overstromingen vergroten. Ook zou helemaal niet vast staan dat bossen de erosie verminderen en aardverschuivingen (landslides) voorkomen. We danken minder aan bossen dan we denken.

Op 23 december waarschuwde Robert Jackson in Science voor de niet te negeren negatieve kanten van de moderne grootschalige bosaanleg voor het vastleggen van het broeikasgas CO2. Uit de gebieden waar nu jonge Kyoto-bossen opschieten stroomt belangrijk minder water dan toen daar nog gras, struikgewas of maïs en tarwe groeiden. Op jaarbasis en gemiddeld over de wereld is de waterafvoer uit nieuw beboste gebieden wel 38 procent gedaald. En er is geen sprake van dat de door bossen veroorzaakte lokale klimaatverandering daarvoor met extra regenval compenseert, althans niet in de VS. Alleen in de tropen kan dat een rol spelen.

broeikasgas

Als klap op de vuurpijl berichtte een Europese onderzoeksgroep vorige week in Nature (12 januari) dat het nuttig rendement van bosaanleg voor bestrijding van het broeikaseffect misschien minder groot is dan wordt aangenomen. Bossen stoten ook methaan uit en methaan is een krachtiger broeikasgas dan CO

Tot op heden is over de twee toegankelijk geschreven rapporten over de hydrologische effecten van bosaanleg en bosbouw het meest gedebateerd. Zij vertonen ook een opmerkelijke overeenkomst: beide beweren oude mythes door te prikken en al doende de bevolking van de ontwikkelingslanden een steuntje in de rug te geven. Het rapport van de Britse overheid, opgesteld door onderzoekers van de University of Newcastle upon Tyne, wijst vooral de Amerikaanse bosbouwdienst, de US Forest Service, aan als de verspreider van - inmiddels - onhoudbare mythes. Zo verspreidde de dienst tot aan het begin van de twintigste eeuw haar overtuiging dat bossen als sponzen werkten. Het complex van bosbodem, half verteerd blad en wortels werkte volgens haar als een reusachtige spons die naar believen water opzoog of langzaam losliet. De spons zou de piekafvoer na zware regenval klein houden en de afvoer juist mooi continueren in tijden van droogten.

Al rond 1910 bleek uit een voor de hand liggend experiment dat dit model niet altijd opging (zie graphic), maar toch duurde het nog tot in de jaren vijftig voor de US Forest Service haar zelf verspreide mythe losliet. Maar in het verre buitenland drongen de nieuwe opvattingen vaak niet door.

Een andere hardnekkige opvatting die hier en daar is blijven bestaan is dat bossen de waterafvoer van een gebied kunnen vergroten. Die laatste mythe berust op een oude (foute) waarneming dat landbouw alleen in directe nabijheid van bossen zou kunnen gedijen. Het leidde tot de verkeerde interpretatie dat het bos de landbouw van water voorzag.

historische dwaling

Het rapport “Forests and floods' van de FAO haalt ook uit naar de US Forest Service en neemt nog feller afstand van de spons-theorie die letterlijk een “historische dwaling' wordt genoemd. De spons-theorie is nooit bevestigd, schrijven de auteurs, maar zij appelleert aan de intuïtie en oppervlakkige ervaring. In werkelijkheid is de voornaamste eigenschap van bossen dat zij ergerlijk veel water verbruiken. Zij onderscheppen het regenwater (dat hangend in de kronen weer verdampt) en pompen veel van het water dat de grond en de wortels wel bereikte via hun huidmondjes terug in de lucht. De stroompjes en beken in een bosgebied veren altijd zichtbaar op als het bos wordt gekapt. Toch valt van een dempende werking op het ontstaan van overstromingen na aanhoudende zware regenval doorgaans weinig te merken. Alleen op milde regenval zou het bos volgens de FAO een matigend effect hebben.

Eenmaal op dreef maakt het FAO-rapport ook korte metten met andere mythes en misverstanden: bossen remmen de erosie niet maar versterken die, ze kunnen zware landslides niet voorkomen en er zijn tegenwoordig niet méér overstromingen dan vroeger. Zo belandt men moeiteloos bij de voornaamste conclusie: het is zo erg niet als kleine boeren in ontwikkelingslanden het bos omkappen om er kleinschalige landbouw te bedrijven.

Dr. Sampurno Bruijnzeel, hoofddocent aan de Vrije Universiteit Amsterdam, kent de auteurs van het FAO- en het DFID-rapport en heeft sympathie voor de steun die zij willen geven aan de kleine boeren in onwikkelingslanden. ““In veel van die landen zijn overheden heel beducht voor ontbossing. Ze voeren er vaak een actief herbebossingsbeleid in de vorm van het aanplanten van snelgroeiende bomen als teak, eucalyptus en dennen. Er wordt daarom veel in het werk gesteld om de kleine boeren uit het bos te houden. Terwijl die toch vaak met de rug tegen de muur staan.“

Maar hier stopt ook eigenlijk de welwillendheid van Bruijnzeel, een gerenommeerd en gelauwerd boshydroloog die veel van zijn werk in de rapporten zag opgenomen. Het doorprikken van mythes is een goede zaak maar eigenlijk lopen de rapporten daarin een jaar of twintig achter. Rond 1985 heeft de bosbouwer Lawrence Hamilton alles al eens op een rijtje gezet. En Hamilton deed het in zeker zo scherpe bewoordingen. De rapporten van DIFD en FAO zijn een compilatie van halve en gedeeltelijke waarheden die geen richtsnoer mogen worden voor beleidsmakers in ontwikkelingslanden. Die verkeren toch al in de grootste verwarring.“

Bruijnzeels eerste kritiek is dat het FAO-rapport voor het goede doel elke nuance overboord heeft gezet terwijl het debat juist afhankelijk is van nuances en kanttekeningen. Van plaats tot plaats kunnen conclusies verschillen. Alles is gebonden aan de context. ““De wereld is te ingewikkeld voor one liners. Het is zeker waar dat bossen overstromingen niet kunnen voorkomen. Maar dat wil niet zeggen dat er niets nadeligs gebeurt als je bossen weg haalt.“

De bufferende werking van bossen op de waterafvoer is volgens Bruijnzeel wel degelijk aantoonbaar, in India, Java en Sri Lanka, bij voorbeeld, zijn daarvoor voldoende langjarige metingen gedaan. De regenval neemt er iets af maar toch zie je dat de rivieren in ontboste en degraderende gebieden in de natte tijden veel meer water voeren dan vroeger. De gebieden zijn duidelijk reactiever geworden.

Hetgeen weer niet betekent dat de kans op overstromingen onverbiddelijk toeneemt als je ontbost. Essentieel is dat het niet de ontbossing zelf is die de doorslag geeft maar het het slechte landgebruik dat er vaak op volgt. Vervang je natuurlijk bos min of meer behoedzaam door plantages dan is er niets aan de hand. Maar vaak wordt het omgezet in grasland of akkerbouw en bijna altijd gaat het gepaard met bodemdegradatie. Vee met zijn voorkeursroutes over het grasland compacteert de bodem. Landbouwmachines doen hetzelfde. Akkers die in afwachting van de regens braak liggen worden door de regen dichtgeslagen. Al tijdens het kappen van het bos kan door tractoren enorme schade aan de bodem worden aangericht. Daarom is het voor de helderheid in het debat ook van belang goed onderscheid te maken tussen logging (uitkap) en clearing. Bij clearing gaat het hele bos inclusief de ondergroei plat en wordt veel met machines heen en weer gereden. Daarna gaat de brand erin. Bij logging worden alleen de bruikbare bomen uit het bos gehaald en blijft de rest redelijk intact.

Bruijnzeel: Het spreekt vanzelf dat een flink dichtgereden bodem regenwater sneller gaat afvoeren naar beken en riviertjes. Wie puur op de afvoer van die waterlopen let kan dat als een voordeel zien. Maar je moet bedenken dat het ten koste gaat van de aanvulling van het grondwater en dat water dat oppervlakkig afstroomt naar beken en rivieren die waterlopen vaak erg vervuilt met sediment. Die beken staan dan mooi vol maar zijn onbruikbaar geworden voor drink- of waswater. Irrigatiekanalen en meren slibben dicht en in droge tijden ontstaan grotere tekorten.“

Maar de grote lijn lijkt toch te zijn dat het kappen van een bos niet per se schadelijk effecten voor de hydrologie hoeft te hebben? Wat dat betreft zat de FAO er dus niet zo ver naast? Is de sponstheorie nu wel of niet achterhaald?

Bruijnzeel wil dat oude - Duitse - concept niet loslaten. De bosbodem, iedere ongestoorde bodem, ìs een spons, maar een spons met een beperkte capaciteit. Omdat bomen inderdaad een zeker hoeveelheid regenwater kunnen onderscheppen, vooral naaldbomen, is de bodem onder het bladerdak vaak relatief droog. Tegelijk kan een humeuze bodem heel poreus zijn. Zo'n bodem kan een tijdlang veel regenwater opnemen en in een droge periode nog lang naleveren. Bossen uit mergelgebieden in Frankrijk bleken de waterafvoer wel degelijk af te vlakken.“

Maar als het heel lang zwaar regent is ook de bosbodem op een goed moment totaal doordrenkt en dan gedraagt hij zich niet wezenlijk anders dan grasland of kale grond. Maar bossen hebben het voordeel dat ze weinig sediment produceren en de waterkwaliteit van beken niet in gevaar brengen. De door de FAO geponeerde verhoogde erosie onder bossen (veroorzaakt door de zware druppels die van de bladeren vallen) treedt alleen op als daar geen ondergroei aanwezig is. Maar dat komt bijna alleen voor in bossen waar mensen zijn binnengedrongen en dan heb je sowieso erosie.“

bossen goed of slecht

Dr. Jaap Schellekens, als hydroloog verbonden aan het Waterloopkundig Laboratorium in Delft, schaart zich achter de kritiek van Bruijnzeel. Bossen goed of slecht? Zo simpel is dat niet te stellen. In de hydrologische afwegingen spelen tijd en plaats op een onoverzichtelijke manier door elkaar. In principe kan onaangetast grasland net zo goed beschermen tegen overstromingen als bos. In werkelijkheid wordt het door overbeweiding en dergelijke verhinderd.

Net als Bruijnzeel kan hij wel instemmen met de in beide rapporten verwoorde klacht dat het onderzoek aan de hydrologische gevolgen van bosaanleg of juist ontbossing altijd veel te beperkt is geweest. Vaak zijn maar fracties van een stroomgebied bemonsterd en worden voor het hele gebied conclusies getrokken. En bijna altijd duren de experimenten te kort. ““Bossen zijn pas na 50 of 100 jaar volgroeid. Bodems doen er vaak eeuwen over om in een eindstadium te raken. Maar onderzoeken die langer dan een paar jaar duren zijn zeldzaam.''

De rapporten spreken zichzelf ook aantoonbaar tegen. Schellekens: Je kunt niet tegelijk stellen dat bossen zoveel water aan de bodem onttrekken en beweren dat ze geen invloed hebben op het voorkomen van landslides. Want landslides treden pas op als een bodem met water verzadigd is en geen weerstand meer kan bieden tegen de zwaartekracht. Bossen stellen dat moment uit.“ Ook Sampurno Bruijnzeel mist de nuance in de uitspraak over landslides. De shallow slips, de ondiepe aardverschuivingen, worden wel degelijk door bossen tegengehouden. Maar als aardlagen van vele meters dik gaan schuiven is er geen houden meer aan.

Hoera dus voor het bos, het helpt wèl tegen overstromingen en wèl tegen landslides. En er ìs helemaal niet zoveel erosie, als er maar ondergroei is. Maar al met al is nog geen volledige duidelijkheid ontstaan over het nut van bossen in droge gebieden die droge tijden doorstaan. Zou een goed bos daar de beken en stroompjes nog lang vol houden of juist helemaal niet, zoals het DFID-rapport beweert en door Robert Jackson in Science wordt gesuggereerd? Bebossing of herbebossing leidt eigenlijk altijd tot een verminderde jaarafvoer van beken en rivieren, noteert Jackson, en kan ze in regenarme gebieden zelfs helemaal droogleggen. Pas als bossen een paar decennia oud zijn begint de oorspronkelijke afvoer zich enigszins te herstellen.

Het ligt lang zo simpel niet als het DFID-rapport suggereert, zegt Bruijnzeel. Regeringen en het publiek willen tegenwoordig vaak bos aanplanten om de wateraanvoer in de droge tijd te garanderen, en sommige wetenschappers roepen dan: niet doen want dan raak je nog meer water kwijt. Maar eigenlijk is op voorhand niet veel van het effect te zeggen. Het hangt af van de balans tussen de transpiratie van de bomen en de bijbehorende extra wateronttrekking uit de bodem enerzijds. En het verhoogde waterabsorberend vermogen van een ontwikkelde bosbodem anderzijds. Valt er niet al te weinig regen en was de bodem flink gedegradeerd dan is toch wel heil van bebossing te verwachten. In andere gevallen kan het inderdaad wel eens raadzaam zijn niet te bebossen en je toevlucht te nemen to bodembeschermende maatregelen.“

Zou het - omgekeerd - wel eens zin hebben om bos te kappen om de hydrologie van een terrein wat op te knappen? Dat is nou absoluut het laatste wat ik zou doen“, zegt Jaap Schellekens geschrokken. Ik zou nooit een bos weghalen: een intact bos is de beste beschermer van je bodem.“ En Bruijnzeel: De droevige gevolgen van al dat ongelimiteerde kappen en branden zie je overal om je heen in de tropen, dus tel je verlies maar uit.“