Ze floot weer naar me

Het einde nadert voor Tjoeki, de oude papagaai, als ze een gezwel aan haar keel krijgt en steeds langer blijft slapen.

Vrienden, die een maand geleden nog verschrikt hun voeten wegtrokken, vanwege haar terroristische verleden, kunnen gerust zijn. Ze is dood.

Mijn oude papegaai had een gezwel aan haar keel. De celdeling in haar lijf was de kluts kwijtgeraakt. Uit haar staart groeide wild vlees. Dat opereerde ze zelf. Mijn overhemd zat onder het bloed als ze de operatie op mijn schouder deed, terwijl ik nietsvermoedend achter de computer zat. Dat groeiende gezwel aan haar keel werd echter een lelijke sta-in-de-weg bij het opereren aan de staart. Ze kon haar nek niet meer goed draaien. En door dat woekerende ding aan haar keel sliep ze heel licht. Elke morgen om half vijf wekte ze me met de alarmkreet van de meerkoet. Daarna slofte ze mijn slaapkamertje binnen. Klom ze met moeite bovenop mijn bed om naast mijn hoofdkussen haar nachtrust voort te zetten.

Mijn volwassen dochter was nog steeds erg bang voor de vogel. Ze kwam logeren. Ik probeerde haar gerust te stellen: “Je hoeft niet meer bang te zijn“, zei ik, “Tjoeki is nu stokoud, ze is bijna stervende, die komt echt niet meer achter je aan. Ze kan nauwelijks lopen. Ze slaapt nu de hele dag, ze doet niets meer, ze heeft niet eens de kracht om achter je aan te komen.“

“Pap“, zei mijn dochter, “dat hoor ik al zo lang als we die vogel hebben. Op mijn voeten zitten nog littekens uit mijn kleutertijd.“

“Die deur van je slaapkamer kan echt open blijven“, zei ik. Dus niet. Ik was in de keuken toen ik haar om hulp hoorde roepen. Ik geloofde mijn ogen niet. Mijn dochter stond angstig boven op het logeerbed, de vogel stond er zelfverzekerd voor.

Daarna vatte het oude beest kou in het halletje bij de wc, ze wachtte daar op mijn dochter. (In haar glorietijd vergastte ze vrouwen die van de wc kwamen op een onverhoedse aanval). Haar tegenvaller was dat mijn dochter het zo lang kon ophouden, en ik de vogel steeds weghaalde. Ze blies grote snottebellen, haar ene neusgat raakte verstopt met wit spul. Ze hijgde. Ik gaf haar antibiotica. Op advies van mijn vriendin moest ik het verstopte neusgat deppen met afgekoeld gekookt water. Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Ik mocht haar alleen aanraken als ze wilde vrijen. Daarom paste ik een list toe, ik wachtte tot ze wilde vrijen. Dan kroelde ik in haar nekveren tot haar oogjes dicht vielen van genot, ondertussen doopte ik tersluiks een theedoek in een wijnglas met water. Greep dan haar snavel stevig vast tussen duim en wijsvinger (“je doet maar, lieve schat') en voordat ze door had dat ik niet aan het vrijen was, maar aan een medische handeling was begonnen, depte ik haastig het verstopte neusgat, terwijl zij krijsend van woede uit haar liefdesroes ontwaakte.

Een paar dagen geleden was ze plotseling beter, opvallend vrolijk en actief was ze. Ze wandelde het hele huis door. Ook klom ze weer op de bierkrat in de keuken om haar oude lijf te warmen aan de ochtendzon. Ik geloofde mijn ogen niet. Vrijen wilde ze ook en ze poetste weer ijdel aan haar veren. Ze floot weer naar me, en wilde heel lang op mijn schouder zitten. Ze ging zelfs weer aan het werk in haar bureaula. Ik kreeg hoop. Die avond vertelde ik op een feestje van de wonderbaarlijke opleving. Ik vertrouwde het niet. Ik had zo'n onwaarschijnlijke opleving al eerder meegemaakt met doodzieke honden, op de dag voor hun dood. Maar toen ik 's avonds laat thuiskwam was ze nog steeds fit en vrolijk. Ze begroette me uitbundig. Ik moest in haar nekveren kroelen, heel lang, en ik moest vooral veel over haar kale gezwel aaien. Ik zag dat er één sprietje groeide uit het gezwel, een heel dun priegeltje, dat als veertje in het leven was gekomen, maar daar bij nader inzien vanaf zag. De volgende ochtend lag ze dood in haar bureaula.

Ik heb haar in het bos begraven. Mijn vriendin was er wel tien keer langs gelopen zonder haar graf te vinden. Op dit stille onvindbare plekje in het bos zijn de vogel en ik nog even samen. Ik zat op de boomstam bij het grafje toen ik mijn vriendin hoorde roepen: “Tjoeki waar ben je? Laat je eens horen!“ Maar hier in het bos hoor je alleen de ijle roep van de buizerd en het ruisen van de wind in de bomen. Tjoeki hoor je niet meer. Misschien in de verre toekomst als ze zich heeft laten omturnen tot een mooie buizerd via de voedselketen van het bos.

Ik ben achtergebleven met souvenirs van haar werkzaam leven. Levensnevel van Kees van Kooten bijvoorbeeld. Ze zat graag op de bovenste boekenplank. Je zag niets bijzonders als je voor de boekenkast stond. Levensnevel stond er gewoon netjes tussen de andere boeken. Pas als je het boek van de plank pakte en de snippers mistroostig naar beneden dwarrelden, wist je dat ze ook daar niet had stilgezeten.

In de nabijheid van mijn vogel leerde ik de betrekkelijke waarde van bezit. Zelf bezat ze 38 jaar lang niets meer dan de dag waarop ze leefde en de partner van wie ze hield, bij gebrek aan beter.

    • Fred Koning