Wat trek ik aan?

Zelfbenoemde hoge cultuurdragers die flirten met lage cultuur, dat fenomeen is in Hongarije (nog) niet doorgedrongen. Het ontzag voor de Opera en de Muziekacademie is groot, daarover maak je geen grappen. Namen als Liszt, Kodály en Bartók zijn onaantastbaar.

hoge hoed top hat

Bij mijn eerste bezoek aan de opera aan de statige Andrássy-boulevard in Boedapest waagde ik het om in spijkerbroek te verschijnen. Ik werd vuil aangekeken. Zelfs de ordinairste maffiabruidjes kwamen in avondjurk! Het Hollandse adagium “kunst voor iedereen' gold in dit postcommunistische land allerminst - dat was even wennen. Mijn buurman, die me bij mijn entree in de Hongaarse samenleving advies-voor-beginners gaf, kreeg weer eens gelijk. “Leuk, die Mercedes oldtimer waarin je rijdt“, schamperde hij. “Maar laat hem thuis en neem een taxi als je naar een interview moet. De mensen hier zijn snobistisch: ze nemen je in een oude auto niet serieus.“

De spijkerbroek kon weer uit de kast toen we het alternatieve circuit indoken. De eerste aanblik van het interieur van folkmuziektempel Fono, in het elfde district op het terrein van een verlaten fabriek, bracht een schok teweeg. Daar stonden nog jongens van amper 28, zuigend aan een notenhouten pijp. Een weeë tabakslucht overheerste, en tussen de optredens van avant-gardistische jazzmuzikanten door werd er aan tafeltjes gediscussieerd. Sommigen maakten van de pauze gebruik om in een notitieboekje de laatste hand te leggen aan een filosofisch traktaat.

Gaandeweg volgde ook de kennismaking met de minder stereotiepe cultuurdragers: de lenige types die maling hebben aan het onderscheid tussen klassiek en nieuw. Maar ze zijn in de minderheid, en ze maken het zichzelf onnodig moeilijk. Je doet er in Hongarije verstandig aan het scherpe contrast in acht te nemen; al is het alleen maar om lang gedraal voor de spiegel te vermijden. Ga je naar de Opera? In pak. Een avond in kunstenaarsnest “Fészek'? Zet op, die artistieke hoed!

Zolang je je aan die cultureel correcte regels houdt, begeef je je in een overzichtelijke wereld die op veel westerse kunstenaars een enorme aantrekkingskracht uitoefent. Begin jaren negentig, meteen na de omwentelingen, kwam er een stroom op gang van vooral Franse en Britse kunstenaars die zich in Boedapest vestigden. Een enkele kunstschilder uit Nederland waagde eveneens de sprong. Zoals Dénes Ghyczy, in Limburg geboren uit Hongaarse ouders die na de Hongaarse opstand in 1956 naar Nederland vluchtten. Hij had het in Nederland wel gezien. Wat hem naar Boedapest trok, zei hij bij onze eerste ontmoeting, waren de ouderwets beleefde omgangsvormen. “En de nog amper geëmancipeerde meisjes. Ik kwam er achter wat me in Nederland zo had gestoord: het veel te ver doorgeslagen liberalisme, waardoor iedereen zo op elkaar is gaan lijken.“

De kunstenaars kwamen vooral, zei Dénes, “om mee te deinen op de golven van euforie.“

De Franse schilder François Joly vond vijftien jaar geleden cultureel asiel in Hongarije. In zijn atelierwoning, in de schaduw van de Boedapester kunstacademie, beschildert hij verroeste ijskastdeuren en bij het grofvuil gevonden houten panelen. “Het leven hier is weldadig voor een kunstenaar: de huren zijn laag, en je bent ver verwijderd van het gekonkel en de naijver onder collega's in westerse steden als Parijs en Amsterdam.“

Hij exposeert zijn werk in Café Csiga, opgezet door een Ier die fungeert als spin in het web van de kunstwereld. In Boedapest worden in rap tempo alternatieve kunstenaarsplekken als Café Csiga geopend. Lege fabriekshallen en verloederde binnenplaatsen worden omgebouwd tot centra voor beginnende kunstenaars. In hetzelfde tempo raken de plekken weer uit de gratie, en van de meeste kunstenaars wordt nooit meer iets vernomen. Het succes van het Hongaarse kunstenaarsduo Kis Varsó (Klein Warschau), dat met grote installaties begon in een leegstaand warenhuis in de binnenstad, vormt een uitzondering, de dynamiek is groot.

Misschien wel dankzij die hoge muur, die de gevestigde traditionele kunstwereld scheidt van de jongere alternatieve scene, denkt galeriehouder Gábor Kozák. “Het vergt het uiterste van Hongaarse kunstenaars om zich te bewijzen“, zegt Kozák.

Dat de buitenlandse kunstenaars zich hier prettig voelen kan hij wel begrijpen. “Je leeft hier goedkoop, en via je bestaande contacten in West-Europa verkoop je je werk. Ideaal. Maar dat gaat voor de Hongaarse kunstenaars niet op. In Hongarije bestaat er sowieso geen logica in het maken van carrière als kunstenaar. Je kunt even pieken, maar daarna val je weer weg in de vergetelheid. Er is geen systeem, waarin je wordt gekoesterd en begeleid.“

Terwijl buiten de schemer valt laat Kozák in de donkere achterkamer van zijn galerie het werk zien van een Hongaarse schilder die hij vertegenwoordigt. “Imre Bukta. Een genie. Voor héél even. Na een kortstondig succes trok hij zich weer terug in zijn dorp op de poesta.“

Benieuwd naar wat op de poesta de heersende culturele etiquette is, rijden we morgen per oldtimer naar Bukta's dorp. Wat trekken we aan? Wat nemen we mee? Een notenhouten pijp misschien? Of gaat Bukta over straat in een strak, modern pak? Aan zijn werk kun je het niet aflezen.